Helden van negentien

Bij de Nederlandse jeugd, zei de presentatrice van het NOS-Journaal, is een sterk toenemende belangstelling voor de geschiedenis van de Oorlog en het Verzet waargenomen, zo hadden enquetes aangetoond. (Teken des tijds: de lidwoorden voor oorlog en verzet waren in onze tijd nog niet nodig. Bij ons luisterde de geschiedenis trouwens nog naar haar authentieke naam: Onderdrukking en Verzet). Vijftig jaar geleden was dat niet anders: in de eerste week van de oorlog kwam het bij de verdediging van Rotterdam zelfs in beslissende mate op de jeugd aan. De overlevering heeft een dierbare legende om de verdediging van de Maasbruggen gesponnen waaraan geen enkel wetenschappelijk onderzoek iets zal kunnen afdoen, maar de afweer waarover wij beschikten telde in de beslissende eerste uren niet meer dan 150 mariniers en 900 recruten van de genie die veertien dagen tevoren onder de wapens waren geroepen en nog geen geweer konden vasthouden.'Jongens', noemde hun commandant, de overste P. W. Scharroo, hen vertederd. Ze hielden het vijf dagen vol en ze vochten als leeuwen, maar ze moesten het afleggen omdat ze jongens waren. 'Kinderen van negentien jaar, die nog nooit geschoten hadden, zelfs niet met lichte patronen', zei Scharroo op 9 november 1948 voor de Parlementaire Enquetecommissie uit de Tweede Kamer. Wie het niet met eigen ogen had gezien, zou niet geloven dat hij het 'met die ongelukkige, slecht bewapende kinderen' nog vijf dagen had volgehouden.

Het lot van Rotterdam was al die dagen in handen geweest van merendeels 'kinderen', want de versterkingen die waren gestuurd waren of te laat gekomen of te vermoeid om gewicht in de schaal te leggen. 'Enkele compagnieen waren bruikbaar, maar de rest, daar had ik niets aan' (Scharroo had buiten zijn militaire vakgebied een interessante hobby. Hij schreef in samenwerking met Jan Wils, de architect van het Olympisch Stadion, een boek over sportstadions en hij was een expert op het gebied van mobiele terrein-inrichtingen ofwel uitneembare en verplaatsbare sportaccommodaties). De tegenpartij, bracht die soms geen 'jongens van negentien' op de been? De Duitsers wierpen in Rotterdam inderdaad een bataljon jongens in de strijd, wat zoveel was als vijf tegen een.

Het waren ideologisch gelovige jongens, die de Fuhrer verheerlijkten, zich verheugden op de strijd en met propaganda volgepropt aan hun parachutes uit hun vliegtuigen sprongen (met dank aan de oud-marinier J. M. H. van Sterkenburg uit Santpoort, die mij enige nazi-lectuur van de Fallschirmjager toezond). Ook de illegaliteit steunde voor het zware werk voor een belangrijk deel op mankracht die nauwelijks volwassen was en soms nog minderjarig. 'Heroes in their teens'.

Volgens dr. W. Drees, een van de Vertrouwensmannen van de illegaliteit, was het aandeel dat de jeugd aan het verzet leverde, veel groter dan de naoorlogse generaties ooit hebben beseft. Bekende verzetsfiguren zagen er na de bevrijding uit als 'oude helden, die lang hadden overgewerkt', terwijl ze nog geen dertig waren. 'Ik ben er diep van onder de indruk geweest hoeveel jonge mannen en vrouwen bereid waren zich voor de illegaliteit in te zetten, wetende wat de gevaren waren', schreef Drees in een van zijn eerbetuigingen (Herinneringen en Opvattingen, Naarden, 1983, blz. 73).

Een van de sleutelfiguren in de operatie 'vervalsing schatkistpromessen Nederlandsche Bank', een huzarenstuk van het Amsterdamse verzet waarmee de geldvoorraad van het Nationaal Steunfonds in stand werd gehouden, was een jongeman in het begin van de twintig. Hij was de spil van een 'drukkerijgroep' die voor het verzet formulieren en waardepapieren drukte en die ook het onvervalsbaar geachte promessepapier namaakte tegen inwisseling waarvan het verzet zich in het bezit stelde van enige miljoenen uit de kluizen van de Nederlandsche Bank. Hij was het brein dat een singuliere intelligentie paarde aan een stalen koelbloedigheid en bij zijn hoogst riskante werk nooit tegen de lamp liep. Vorige week heeft hij me verteld volgens welk procede ze te werk gingen om drie drukgangen bij verschillende illegale drukkers op elkaar af te stemmen en het 'behaarde' promessepapier met valse haren en al na te maken.

J. (de afkorting van zijn verzetsnaam) heeft in 1945 alle banden met zijn verzetsverleden radicaal doorgesneden, zijn eigen rol consequent doodgezwegen en de aan het verzet verbonden eretekenen nooit aanvaard, omdat hij bang was voor valse heroiek en niets op had met sentimentele betrekkingen. Het was de eerste keer dat hij een laatje uit zijn verzetsgeheugen opentrok en met animo vertelde hoe ze bij het namaken van de schatkistpromessen erin geslaagd waren drie kleurenlagen op elkaar te brengen en ook nog een drukker te vinden die de nummers op de promessen kon drukken.

Tegen zijn gewoonte in vertelde hij het op een enigszins verbaasde toon - als een graficus die er zelf versteld van staat dat er onder zijn handen een mooie litho van de steenpers is gekomen. Het was zo'n meeslepend verhaal, en zo doorspekt met spannende, nooit eerder geopenbaarde bijzonderheden, dat de vraag zich opdrong waarom een filmscenarioschrijver daar nog nooit brood in had gezien.

Maar voordat ik daarop een antwoord kreeg sloegen zijn gedachten een romantische zijstraat in. We zaten op het terras van het Amstel Hotel, recht tegenover het hoofdkantoor van de Nederlandsche Bank, dat lomp en bonkig boven de omgeving uitsteekt en twintig jaar geleden het sierlijke Frederiksplein heeft doodgeslagen.

Zijn blik bleef aan het kantoor van Duisenberg haken. Ik verwachtte dat hij een treurdicht zou opzeggen ter nagedachtenis van het Paleis voor Volksvlijt, dat op deze plaats stond en dat in zijn glazen eenvoud mooier was dan tien paleizen van Jacob van Campen bij elkaar. Maar er kwam een tere herinnering boven aan een meisje, dat in een galerijwoning boven de aan de brand ontkomen winkelgalerij woonde en op wie hij vijftig jaar of langer geleden verliefd was.

Telkens wanneer hij over het, door de Bank geruineerde Frederiksplein reed, voelde hij die jeugdliefde weer in zijn maagstreek opkomen en werd hij getroffen door de arrogantie van die brute mammon-architectuur. Hij sprak van 'pijn' en 'gemis' door de verandering die de bouw van het bankkantoor in zijn geheugen had aangericht. Dat het Paleis was afgebrand was al erg genoeg geweest, maar dat de kaalslopers hem ook nog van een van zijn liefste herinneringen hadden beroofd, dat had hij altijd onvergeeflijk gevonden. Ze hadden hem iets persoonlijks afgenomen, een gebouw dat bij het ouder worden zijn spirituele eigendom was geworden.

Ik maakte van een pauze in zijn verhaal gebruik om zijn gedachten naar het bombardement van Rotterdam te leiden - een passend onderwerp voor deze dagen, hoewel niet veel Amsterdammers zich daarin ooit hebben verdiept. Ik vroeg hem of hij zich kon voorstellen hoe de Rotterdammers die in een klap heel hun oude stadscentrum kwijtraakten zich al die jaren moeten hebben gevoeld, zonder hem mijn eigen Rotterdamse gekwetstheid te laten merken. Een Paleis voor Volksvlijt tegen heel een stad! Hij pauzeerde nu wat langer om na enige tijd te antwoorden dat hij - Amsterdammer die Rotterdam eigenlijk niet kende - 'het zo nog nooit had bekeken'.