De stenen steppe

Op donderdagavond 9 mei, aan het slot van een zoele voorjaarsdag, gaven de Koninklijke Zangvereniging Rotte's Mannenkoor en het Spangens koor een uitvoering in de Doelenzaal aan de Rotterdamse Coolsingel. De Tivoli Schouwburg, daar vlakbij, lokte het publiek met De Suikerfreule en de City Cinema op de Hoogstraat, waar Chris van Boven het wonderorgel bespeelde, draaide de musical Rio Rita met Bebe Daniels. Op de gevel van Luxor, de bioscoop van het Duitse UFA-concern aan de Kruiskade, stond de volgende film al aangekondigd: Heute Nacht oder nie.

Een paar uur later die nacht klonk boven de stad het geronk van overtrekkende vliegtuigen. Een meisje en een jongen, die met de dominee hun komende trouwdag hadden besproken en daarna nog op stap waren geweest, vroegen zich op weg naar huis af wat dit te betekenen had. Maar ze fietsten rustig verder, al gauw weer vervuld van hun toekomstplannen.

Een schoolmeisje in de wijk Kralingen werd wakker van het lawaai. ' Ik waarschuwde mijn ouders, maar mijn vader zei: 'Kind, maak dat je wegkomt, ga weer slapen'. Toen ik op het balkon ging staan om te kijken, zag ik aan de overkant van de Hoflaan de burgemeester in zijn ochtendjas in een auto stappen. Later hoorde ik dat hij naar het stadhuis was gegaan.' Het was 3 uur 55 toen de Duitsers hun bommen begonnen af te werpen op vliegveld Waalhaven, aan de zuidelijke rand van de stad. Tegelijkertijd zetten de mannen van het eerste Luftlandekorps, die volgens Hauptmann Schulz tevoren van 'blije opwinding' niet hadden kunnen slapen, de aanval in: ze veroverden niet alleen het vliegveld, de Moerdijkbrug en de bruggen bij Dordrecht, maar ook de Maasbruggen in het centrum van Rotterdam. Hun acties daar wekten 'drommen nieuwsgierigen', die 'meestal in zeer provisionele kledij' poolshoogte gingen nemen, aldus NRC-journalist A. C. de Neeve in een ongepubliceerd dagboek. Tot hen behoorde J. A. Willinge, die kort tevoren had geijverd voor het intact houden van de oude binnenstad. ' Gewekt door een geweldig lawaai liep ik het balkon op van mijn huis aan het Haringvliet. God, kijk nou 's, zei ik, er landen watervliegtuigen op de rivier'.

Een paar huizen verder klom een personeelslid van hotel Weimar om een betere indruk te kunnen krijgen op het dak. ' Het was een fantastisch gezicht', meldde hij later: de twaalf gelande vliegtuigen dreven op het water, omringd door rubberbootjes met soldaten. ' Een vliegtuig dat onder de brug door kwam, botste tegen een ander aan, dat naar de brug toe taxiede en ze bleven met de vleugels in mekaar zitten.' Op de kade liepen de eerste Duitsers al rond, het geweer in de aanslag. Danseres Corrie Hartong, die in opwinding met een ander de straat op was gerend, werd door een van hen tegengehouden. ' 'Gehen Sie nach Hause', zei hij, maar ik werd zo kwaad, dat ik terugriep: 'Gehen Sie nach Hause'. De man kreeg een kleur en zei niets.'

Omstreeks die tijd werd een politieagent, die met zijn dienstpistool zojuist een Duitser had neergeschoten, bij het Havenziekenhuis door een kogel geveld. Een paar honderd meter oostelijker, op de Boompjes, arriveerden de eerste Duitsers rond half zes. Toen Nederlandse troepen hen na enige tijd verdreven, lieten de tegen de gevels gedrukte toeschouwers een hoeraatje horen; enkelen maakten van de gelegenheid gebruik om twee gedode Wehrmacht-soldaten te beroven. Even later werd een Nederlandse militair, die was neergeschoten vanaf de overkant van het water, door een oude man en een jongen per handkar afgevoerd.

Terwijl er in de meeste andere Nederlandse steden weinig was te merken, verkeerde Rotterdam sinds enkele uren in oorlog. Uit zijn huis op de rechter Maasoever zag De Neeve 'savonds ' een angstwekkend rode gloed aan de overzijde van de rivier, die de hele nacht een beklemmend lichtspel door de ruiten toverde. Snerpende schoten, omlaag schietende vliegtuigen trachtten voor schrik en verwarring te zorgen.'

Op zondag 12 mei (' een stralende Eerste Pinksterdag') vielen er bommen op de Marinierskazerne en het Oogziekenhuis, hielden de kerken hun deuren gesloten en zochten velen hun toevlucht in schuilkelders. ' Een bonte groep van vluchtelingen: mannen, vrouwen met kinderen en huisdieren, vulde daar spoedig de nauwe sleufachtige ruimten, waarbij de oudere vrouwen soms nogal misbaar maaken, maar verreweg de meeste schuilers blijk gaven van rustige gelatenheid.'

Door de verwoestingen, onder meer op de Boompjes, waren er de volgende dag al zoveel burgers dakloos en behoeftig dat er, aldus De Neeve, huis aan huis inzamelingen voor hen werden gehouden.

Moeilijk was de situatie vooral in Rotterdam-zuid, dat in Duitse handen was en om die reden voor een deel in de vuurlinie lag. Dat gold bij voorbeeld voor het havenkwartier Katendrecht, vanwaar een bewoner op een gegeven ogenblik naar de overkant zwom om duidelijk te maken dat de Nederlandse troepen vooral hun landgenoten in het schootsveld hadden. Op het Noordereiland, waar nogal wat huizen door de beschietingen waren uitgebrand, zochten driehonderd angstige mensen ruim drie etmalen hun toevlucht in een school. Hoewel onder hen gewonden, bejaarden en moeders met zuigelingen waren, probeerden zij aanvankelijk 'een geordende samenleving' te vormen, zo noteerde ooggetuige A. Havinga. Een kok bereidde uit schaarse ingredienten stamppot, het uit de Koningshaven getapte water werd gefilterd door theezeefjes en dan gekookt, degenen die dat nodig hadden kregen een bemoedigend woord. De dag na Pinksteren zorgde men er met vereende krachten voor dat een vrouw, die al geruime tijd dood op straat had gelegen, de laatste eer kreeg volgens de katholieke regels. Ze werd begraven in een plantsoen, in het gras tussen de granaten en in ' een atmosfeer vervuild van rook en vliegas'.

Inmiddels signaleerde Havinga bij sommigen tekenen van verstandsverbijstering; wat later gebruikte hij het woord krankzinnigheid. Het leven in Rotterdam was, in vier dagen tijd, onherkenbaar veranderd.

Op dinsdagmorgen 14 mei kregen de autoriteiten van de Duitsers een in gebroken Nederlands gesteld ultimatum: ' De weerstand, die in het open stad Rotterdam tegen de offensieve der Duitse troepen getoont wordt, noodzaakt mij indien Uwe weerstand niet onmiddelik gestakt wordt, die doelmatige maatregelen te nemen. Dit kan de volledige vernieling van het stad ten gevolge hebben.'

Diezelfde ochtend fietste J. A. Willinge door de doodstille binnenstad naar zijn kantoor, waar hij het kaartsysteem haalde om dat daar in de buurt in de haven te gooien; elders in Rotterdam pleegde een arts van joodse afkomst met behulp van cyaankali zelfmoord.

Om half twee - drie uur voor een tweede ultimatum afliep - begon het grote bombardement door negentig Heinkels met elk 1500 kilo brisantbommen aan boord. Een van de eerste bommen kwam neer op de Oudorpweg aan de oostelijke rand van de stad, waar mariniers tot dan toe vanuit loopgraven met geweren op overkomende vliegtuigen hadden geschoten. Tot de bewoners van een van de huizen daar behoorde H. J. A. Hofland.

'Toen het begon lieten we onze biefstuk en griesmeel met bessensap in de steek en doken we de kelder in. Al gauw klonk een enorme klap die de vloer deed golven. We renden naar buiten - het stof, de rook en de vuiligheid in. In een loopgraaf wachtten we tot het over was. Later zag ik dat in de puinhoop van het getroffen huis de keldervloer tegen het plafond zat geplakt.'

Het schoolmeisje in de nabijgelegen Hoflaan zag de schilderijen aan de muren heen en weer zwaaien en aan de overkant een schoorsteen omlaag tuimelen. ' Op het laatst zochten we dekking onder een balk tussen twee kamers. Terwijl de ramen roodgloeiend werden, mijn jonge neefje met een pannetje op het hoofd rondrende en mijn moeder onafgebroken jammerde, stond ik Chinese gedichten te lezen.' Afgezien van enkelen die in bootjes de Kralingse Plas op gingen, probeerden de meeste mensen zich ter plekke, gehurkt onder de trap of met kussens en matrassen op het hoofd, tegen vuur en instorting te beschermen. De waarnemingen komen sterk overeen: de grond schudde en dreunde, de muren kraakten, deuren vlogen open, het geloei van de sirenes vermengde zich met het geronk van vliegtuigen en gegil van vallende bommen. En overal was er de flikkerende gloed van oplaaiende vlammen.

Sommigen probeerden zich te redden door in kluizen of koelcellen te kruipen, waar zij door verstikking of de verzengende hitte de dood vonden. Mensen die buitenshuis werden overvallen vielen temidden van neerstortende steenklompen, binten en balken gewond of verminkt op het plaveisel. Velen zochten steun bij elkaar in schuilkelders, waar het in het stof en de duisternis volgens ooggetuigen moeilijk was de paniek te beteugelen.

Het bombardement leek uren in beslag te nemen, maar duurde waarschijnlijk niet meer dan een kwartier. Wie na dit korte intermezzo de straat op ging, stapte in een wereld die een ander aanzien had gekregen: inplaats van de vertrouwde omgeving was er een kilometers groot gebied vol half ingestorte huizen en gebouwen, geblakerde bomen, gekantelde auto's, verbogen rails, kadavers en verspreide gas- en waterleidingbuizen. ' Bijna een kwart gedeelte van Rotterdam stond in brand of was althans reddeloos verloren', vertelde een pater naderhand. ' En iedereen was als 't ware versuft of had zijn handen vol aan de mensen die gewond of stervende in de straten lagen, of van onder de puinhopen uit om hulp jammerden.' Uit de ramen van het zwaar gehavende ziekenhuis aan de Coolsingel hingen lakens, waarlangs patienten zich in de asregen in veiligheid trachtten te brengen. Vrijwilligers en taxichauffeurs (van wie er een met geweld werd gedwongen mee te werken) brachten de geredden naar een kerk en, nadat ook deze in brand was gevlogen, naar andere ziekenhuizen. Ook in de diergaarde, naast het station, werd gedaan wat mogelijk was. H. Besselaar beschreef hoe twee personeelsleden de chimpansee Josefientje, de orang-oetan Agam, drie kleine chimpansees en een paar capucijneraapjes per fiets in veiligheid brachten in een cafe. Andere dieren trof men aan op allerlei plekken in de stad: een jong hert liep over het toneel van de verbrande Tivoli Schouwburg, een zebra zat met haar jong vastgezogen in de modder van een singel, zeeleeuwen vond men bij de Westzeedijk. Maar de meeste dieren overleefden de ramp niet; twintig roofdieren, die na een bominslag tot hun nek in het puin stonden, werden al op Eerste Pinksterdag afgemaakt en veel andere beesten vonden twee dagen later de dood.

Terwijl de brand op de middag van 14 mei steeds verder om zich heen greep, zochten de overlevenden - bevreesd voor nieuwe bombardementen - een veilig heenkomen. ' Moe gaan we zitten op een paaltje en kijken naar de brandende stad', aldus het relaas van de dochter van een arts. ' De rook hangt dicht boven de vlammen. De zon is er achter verscholen. In de Teilingerstraat en overal zitten mensen buiten, hele families met al hun hebben en houwen, meubels, tapijten, kanariepietjes en poezen. Allemaal wanhopig. Wat moet er nou? (...) Voor het laatst zien we ons huis daar staan, laag tegen de hoge buurhuizen.' En A. C. de Neeve schreef: ' Buiten zag men mensen uit de buurt vluchten in auto's, volgepropt met koffers, dozen en beddengoed, wagens met gewonden en Rode Kruis-voertuigen met droeve lasten.' Maar de meesten gingen te voet op stap - met uitpuilende kinderwagens en zwaar beladen fietsen, soms ook met alleen een vogelkooitje, een broodtrommel of een Perzisch kleed, ontvluchtten duizenden Rotterdam. ' Een kolossale slang van mensen baande zich een weg door puinhopen en zwarte rookwolken', herinnert Herman Romer zich. ' Boven me zag ik de brandende gordijnen wapperen in het huis van de groenteboer, maar om me gerust te stellen wekten mijn ouders de illusie dat er niks aan de hand was. Ze namen me tussen zich in en deden net alsof we onze zondagse wandeling maakten. Maar ze gingen wel steeds harder lopen: sneller en sneller ging het, de stad uit.' Zo bereikten velen Terbregge, Bleiswijk en het Kralingse Bos, waar duizenden 'snachts het schijnsel van de brandende stad weerspiegeld zagen in het water van de Plas. Een ander toevluchtsoord was het Land van Hoboken bij de Rochussenstraat, zo blijkt uit de aantekeningen die De Neeve maakte op 15 mei, de dag na de capitulatie. ' Tussen allerlei huisraad, stoelen, crapaux, divans, bedden en dekens zaten daar mannen, vrouwen en kinderen te huiveren in de felle wind van deze kille voorjaarsochtend. Verpleegsters en verzorgsters liepen er tussendoor en trachtten hier en daar wat nood te lenigen en zieken en ouden van dagen bij te staan. (...) Velen trokken met pak en zak verder het Westen in, op zoek naar familie of vrienden.' Diezelfde dag en de dagen erna keerde een groot aantal Rotterdammers terug om te zien wat er van hun bezittingen over was. Een huishoudster die op verzoek van haar werkgever een Ruysdael in veiligheid zou brengen maar het doek tijdens de bommenregen tegen een lantaren op het Oostplein zette, vond het schilderij onbeschadigd terug. Maar zij vormde een uitzondering. Corrie Hartong ging op zoek naar haar dansschool aan de Nieuwe Haven, maar zag alleen een onafzienbare berg puin. ' Tussen de onherkenbare resten merkte ik na een tijdje een paar verwrongen buizen op, die dezelfde rode kleur hadden als de verwarming van de school. Daardoor begreep ik dat het pand daar moest hebben gestaan. Het enige dat ik ervan over had was een bakje met sleutels.'

Hans Rothmeijer herinnert zich dat zijn vader op onderzoek uit ging en verslagen terug kwam. ' Er staat niks meer, zei hij. Toen we na een paar dagen met z'n allen gingen kijken, vonden we nog een stuk van het aanrecht en een oliestel.'

De vader van Herman Romer zag bij het skelet van zijn huis pas na enige tijd iets dat hem vertrouwd voorkwam. ' Kijk, daar in die teil ligt je nieuwe jurk', zei hij tegen zijn vrouw. Toen ze de jurk pakte, bleef er niet meer over dan een hoopje stof.

Anderen vonden hun huis intact, maar gevuld met vluchtelingen. Een echtpaar in Kralingen trof hun huishoudster en haar man met tal van hun vrienden en familieleden aan. ' Overal lagen spullen die ze hadden meegenomen: een zak aardappels, een naaimachine, corsetten, traproeden. Na een paar uur kwamen we ergens in een kamer nog een slapende jongen tegen. 'Laat iedereen nu eerst 's gaan kijken of zijn huis er nog staat', stelden we voor. 'Als dat niet zo is mag je terugkomen'. Sommigen zijn nog een paar weken gebleven.' Het duurde lang voor de mensen zich in het vernielde centrum waagden. De stad, die zich had opgemaakt haar 600-jarig bestaan te vieren, was nu een stoffige, smeulende ruine vol dampend puin, waar verkoolde lijken, verbrande koffie en specerijen voor een verstikkende stank zorgden. Een van de weinigen die hier al op de vijftiende rondliepen was NRC-redacteur De Neeve. ' In de brandende zomerhitte van de late middag' kreeg hij tijdens zijn wandeling, zo schreef hij in zijn dagboek, ' een beeld van ontreddering en verwoesting' dat hem van zijn stuk bracht. Zich met moeite staande houdend op het besmeurde plaveisel, zag hij het monsterachtige geraamte van het Maasstation, de geschroeide rompen van zeekastelen, de brokstukken van geliefde gebouwen - een ' woestenij tot aan het gezichtseinde'.

Van een ' schier benauwende pracht' was ook toen nog de Laurenskerk, waarvan het dak ' in miljoenen splinters en schilfers als een dikke bedekking over de immense vloer' lag. Thuis gekomen, kon hij niet geloven dat het waar was wat hij had gezien.

Op de eerste van zijn tochten door de stad kwam de journalist enkele malen Duitse soldaten tegen. De vorige middag waren zij, aldus het dagboek, met 'fierheid en opgewektheid' binnengetrokken en tijdens een incident bij de Statenweg hadden enkelen zich zelfs correct gedragen: beleefd werd belet gevraagd bij een ('niet-arische') familie, waar zij op een met kranten bedekt tafeltje voor het raam voorzichtig een mitrailleur plaatsten; toen de 'geschikte jongens' 's nachts vertrokken, deden zij de voordeur zachtjes achter zich dicht. Over de militairen die hij in de verwoeste stad tegenkwam was De Neeve minder te spreken. Ze leken zich niet te generen over ' zoveel door hen aangericht leed' en waren druk in de weer met foto- en filmtoestellen: ' het scheen wel of zij met zorg de meest gehavende stadsgedeelten voor de lens trachtten te krijgen, met als decor een der geuniformeerde kameraden.'

Met afkeer schreef hij ook over ' operateurs der UFA', die enthousiast de ' fabelhafte Leistungen' van het Duitse luchtwapen vastlegden.

Terwijl er incidenteel bommen bleven vallen, nu afgeworpen door Engelse vliegtuigen, woedde de brand op veel plaatsen door; het nablussen nam op sommige plekken zelfs tien tot vijftien weken in beslag. Toen uiteindelijk de balans was opgemaakt, bleek dat 24.978 woningen, 2393 winkels, 1483 kantoorruimten, 1212 fabrieken en werkplaatsen, 526 cafes, 21 kerken, 12 bioscopen en 4 ziekenhuizen verloren waren gegaan. Het aantal slachtoffers bedroeg naar schatting ruim 800, maar sinds kort gaat men ervan uit dat het er waarschijnlijk 300 meer zijn geweest; circa 80.000 mensen werden dakloos.

Ook degenen die relatief waren gespaard, hadden in enkele zonnige voorjaarsweken kennis gemaakt met een oorlog waarvan het gros van hun landgenoten elders nog geen begrip had. Voor velen was het onthutsend te ondervinden, dat zij wat dit betreft alleen stonden. Dagboekfragmenten en verhalen getuigen van de verwarring onder Rotterdammers toen zij, moe en gedesillusioneerd, kort na het bombardement in Den Haag en andere plaatsen een vooroorlogse situatie aantroffen: keurige mensen dronken sherry op terrassen, anderen waren aan het zonnebaden. Terwijl de rookwolken nog boven de Maas hingen, voelden zij de onmacht vrienden en bekenden duidelijk te maken wat zij hadden ondervonden.

Ook De Neeve merkte tijdens een bezoek aan Amsterdam dat men na vier dagen nog 'onwetend' was over de gebeurtenissen in Rotterdam. ' Ik had de Dam nog nooit zo mooi gevonden als die Zondagochtend. Alles glom en blonk in het heldere licht van de lentezon. (...) De trams reden er in een even groot aantal als gewoonlijk, en langs het Damrak zaten de zondags geklede Amsterdammers genoeglijk voor de cafes. Vrolijke muziek klonk op het Damplein uit een Duitse legerauto. (...) Tegen half vier waren wij goed en wel in Rotterdam, waar het stof en de stank van de verwoestingen ons tegemoet kwamen. Daar stond zij weer, onze goede oude Laurenstoren, uitgebrand en roodgeschroeid van het vuur.' Nadat veel vluchtelingen in de eerste weken van de bezetting waren teruggekeerd, dreven de woningnood en de bombardementen vele particulieren en bedrijven de stad uit. Half juni was het aantal evacues gestegen tot 100.000; tegen die tijd had, zo blijkt uit het dagboek van de gepensioneerde arts H. Mees, een heel aantal joden zelfmoord gepleegd. Voor de overblijvenden hernam het leven langzamerhand zijn loop. Sommige steden stuurden hulpgoederen (Amsterdam zond 15 mei al 9600 bussen vlees, duizend kilo boter en 20.500 broden), de doorgaande wegen werden puinvrij gemaakt en al gauw reden sommige trams weer. Daklozen trokken bij anderen in of kregen onderdak in scholen, leegstaande huizen en barakken; later kwamen er, onder meer op het Zuidplein, complexen noodwoningen die samen zogenaamde 'dorpen' vormden.

In het Stadhuis, dat als een van de weinige gebouwen in het centrum gespaard bleef, voltrok een ambtenaar na een week alweer enkele huwelijken. Onderweg naar de plechtigheid zag een van de eerste oorlogsbruiden een vrachtwagen die lijken vervoerde; ergens in het Stadhuis stond een rij kisten met de stoffelijke resten van personeelsleden van een warenhuis. Het fietsende paar dat in de nacht van 10 mei de vliegtuigen hoorde overkomen, trouwde niet lang daarna. Evenals hun ouders en de getuigen kregen de twee een vergunning om de tram te verlaten op de Coolsingel die, zoals het hele centrum, met het oog op plunderingen en onveiligheid was afgesloten voor het publiek.

Ook de nieuwsvoorziening kwam weer op gang. Op 15 mei ontmoette De Neeve op straat NRC-directeur Nijgh, die (ofschoon hij er 'opmerkelijk sjofel en ongeschoren' uitzag) zijn 'sufheid' ten gevolge van een attaque had verloren: hij zag ' met klare blik' hoe de krant in deze moeilijke tijd moest worden geleid. Maar de volgende dag verscheen, aldus Mees, een ' klein krantje met Duits getint nieuws' dat weinig goeds voorspelde; een hoofdartikel riep op het leed met waardigheid te dragen en voor alles de rust te bewaren. Begin juni kwalificeerde Mees de inhoud van NRC en HP als 'vaak walgelijk': 'Natuurlijk zijn ze niet vrij om te schrijven wat ze willen, maar zo kruiperig en soumis als ze nu schrijven is treurig. Al hun eigenwaarde is verdwenen; als het niet was om de familieberichten en om de nieuwe adressen, dan zou men het krantenlezen gerust kunnen afschaffen.'

Een thema dat ruimschoots aan bod kwam in de pers was het puinruimen, dat onmiddellijk een aanvang nam. Twee dagen na het bombardement werden werklozen opgeroepen zich te melden en nog eens twee dagen later verkeerden zij in gezelschap van soldaten en vrijwilligers uit alle rangen en standen. Circa 20.000 mensen werden te werk gesteld in de nog warmte uitstralende ruines, waar zij met puinharken, schoppen en pikhouwelen (opgeslagen in de hal van het Stadhuis) 35 miljoen stenen opruimden. Honderden auto's daverden met deze stoffige inhoud dag in dag uit door de stad. 'Men weet geen raad met het puin', schreef De Neeve. 'Het stinkt ernaar, de hele stad door. Het stuift in dichte wolken door de straten en dringt door in de huizen, zodat wij in deze warme zomerdagen de ramen angstvallig gesloten moeten houden.'

In hun territorium van 286 hectaren vormden de puinruimers een eigen gemeenschap. Als schaftlokalen ingerichte bouwvallen kregen namen als Op hoop van zegen, Het Gierennest, De buik van Parijs en de Puintroubadours. ' Er werd veel gezongen', weet Herman Romer, wiens vader daar werkzaam was. ' Een man die bekend stond als de Willy Derby van de puinhoop zong bij voorbeeld over de stad die nu was verdwenen: Oud Rotterdam ik zal je nooit vergeten / waar ik menig uurtje gezellig heb gesleten. Het waren kreupele teksten, maar dat deerde niet - zodra hij zijn trekharmonika pakte, liep iedereen achter hem aan. Ook de vrouwen die langs kwamen met pannetjes eten voor hun mannen.

Tussendoor werd er veel geroofd; loden pijpen, bij voorbeeld, brachten genoeg op om van de opbrengst dronken te worden.' Nadat de puinruimers in augustus prestatieloon hadden gekregen, vlotte het werk snel. Eind oktober 1940 waren ze klaar, drie maanden eerder dan was voorzien. Een deel van het puin had men gebruikt om er de Schie en de Blaak mee te dempen, de rest was gestort bij Crooswijk, de Kralingse Plas en op het Land van Hoboken, waar het acht a tien meter hoog lag opgetast. Het centrum was, van de Schiekade tot de rivier en van de Westersingel tot in Kralingen, een overzichtelijke vlakte met hier en daar een gebouw: het Stadhuis, de Beurs, de gehalveerde Bijenkorf en Gerzon, vanwaar de poppen in de etalages uitkeken over lege straten.

De aanblik van de binnenstad met zijn schaduwloze velden, waar op sommige plekken koren werd gezaaid, stemde velen triest. De Neeve kwam er liever niet meer, al trachtte hij vreemdelingen ' ertoe over te halen zich van de omvang der verwoestingen te komen overtuigen. Want telkens weer blijkt mij hoe weinig men elders in ons land beseft wat de Duitsers aan Rotterdam misdaan hebben.'

Bezichtiging van de destructie was voor velen 'een aantrekkelijkheid', merkte hij. 'Mij echter maakt de stad nu ziek en treurig.' Maar de drang om aan de wederopbouw te beginnen was groot. Al op 18 mei, toen burgemeester Oud, mr. K. P. van der Mandele en andere notabelen waren begonnen plannen voor de toekomst te ontwikkelen, kreeg ir. Witteveen opdracht binnen een maand een schetsontwerp voor het nieuwe centrum te maken. In de herfst van het jaar erop werd zijn maquette pas in Boymans getoond, maar op 1 juni 1940 wist H. Mees al te melden dat het ontwerp voorzag in grote doorgangswegen, boulevards langs de rivier en minder woonhuizen dan voorheen. Het paste bij de grootschalige aanpak die men voorstond, dat aanvankelijk werd overwogen het laatste dat nog aan vroeger herinnerde - de Oude Binnenweg en het Schielandshuis - nu ook maar te slopen.

Ondanks de grote plannen die ook de Duitsers voor Rotterdam hadden, bleef de bouwactiviteit beperkt tot wat volkswoningen en de voltooiing van diergaarde Blijdorp en de Maastunnel. Het enige nieuwe project van redelijke omvang was de bouw van 350 semi-permanente winkels die, dank zij 30 miljoen gulden uit een steunfonds, binnen vijf maanden konden worden geopend. Zo ontwierpen Kraayvanger, Van Tijen en Van de Broek en Bakema bij de Nieuwe Binnenweg een reeks sierlijke panden, die met hun witte pleisterwerk en decoraties van Dolf Henkes de grimmigheid van hun omgeving even deden vergeten.

Hoewel de schouwburg, de Doelenzaal, veel bioscopen en alleen al aan de Schiedamsedijk tweehonderd kroegen waren verdwenen, werden ook pogingen gedaan het uitgaansleven weer op gang te krijgen. Al snel kon men naar het volkstoneel in een als noodschouwburg aangemerkte kermistent, maar wegens gebrek aan belangstelling werd de tent verbouwd tot Beiers bierhuis. Meer succes had een groep Rotterdammers (onder wie Anton Koolhaas, Ben Stroman en W. A. Wagener), die vijf maanden na het bombardement in Arena Het hart van Rotterdam bracht: een revue die moest aantonen dat de geestkracht van de bevolking ongebroken was. Tot de medewerkenden behoorden Jan Musch, Koos Speenhoff, Corrie Hartong, leden van het Rotterdams Philharmonisch Orkest en Anton Schweitzer, die in een lied de hoop voor de toekomst verwoordde: Rotterdam, we doen je weer herrijzen, bouwen je uit tot havenstad aan zee Je was misschien wat bezig te vergrijzen Maar nu krijg je de wind weer mee.

Tekenend voor het optimisme was de verwachting dat de stad binnen enkele jaren zou zijn herbouwd en plaats zou bieden aan anderhalf miljoen bewoners. Maar ruim vier jaar later lag er nog steeds een onherbergzame vlakte achter het theater, dat zijn kleumende en hongerige bezoekers een programma vol vrolijkheid bood waarvoor de stroom werd opgewekt met behulp van een tandem. In die tussentijd bood Arena gastvrijheid aan gezelschappen van buiten, waaronder het Deutsche Theater in den Niederlanden. Wie liever iets anders wilde kon af en toe terecht in de Kleine Comedie in de Beurs of bij het Rotterdams Philharmonisch, dat nog een tijdlang optrad in het Openluchttheater Dijkzigt en de Koninginnekerk.

En dan was er nog wat luchtig vertier: een paar clandestiene danslokalen, de negerband van Teddy Cotton in cafe Belvedere op Katendrecht en in diergaarde Blijdorp of Odeon nu en dan een optreden van Jaap Valkhoff bij het orkest van Boyd Bachman. 'We mochten alleen maar Hollands of Duits zingen, maar de mensen waren gek met ons', herinnert Valkhoff zich. 'Als wij speelden vergaten ze de ellende.' Verder lag het culturele leven stil. De enige uitzondering vormde een pand op het Haringvliet waarin, afgezien van een schermschool, het atelier van Dolf Henkes en de dansscholen van Corrie Hartong en Netty van der Valk werden ondergebracht. 'Tot het eind toe hebben we er doorgewerkt', aldus Corrie Hartong. 'Vaak waren we doodop en verslagen, maar het dansen gaf ons energie - zelfs in de hongerwinter wekte het de levenskrachten op. Daardoor was dat ene huis een plek waar, temidden van alle verschrikkingen, iets van geluk bestond.' Maar in de onverlichte vlakte eromheen, wist ze, was ieder op zichzelf aangewezen. Wie daar werd verrast door luchtalarm miste elke bescherming. De enigen die dit niemandsland aantrekkelijk vonden waren jongens, die zich hier ongeremd konden uitleven.

Hans Rothmeijer: 'In de puin, zoals het heette, beleefden we avonturen. Nadat de ruines waren opgeruimd, trokken we de kelders in. Daar bikten we Delfts-blauwe tegels uit, die voor een dubbeltje per stuk werden verkocht. Of we braken de deur van de Laurenskerk open en klommen vervolgens, met om het middel een touw, over de resten van de wenteltrap naar boven.' H. J. A. Hofland vormde met een vriend 'een anarchistische eenheid', die op het laatst van de oorlog dagelijks rondzwierf door dit gebied met zijn levensgevaarlijke valkuilen. 'Elke dag gingen we die stenen steppe in om te kijken wat er viel te beleven. Soms stichtten we een brandje, een andere keer maakten we aan de rand van de verwoeste stad een gedicht, dan weer gingen we op rooftocht. Eenmaal was de buit honderd pianorollen die we, na een lange dwaaltocht door de besneeuwde woestenij, verkochten voor honderd gulden - net genoeg voor twee pakjes sigaretten.'

De door velen verafschuwde vlakte, waarin Hofland een tijdlang de vervulling vond van een jongensdroom, was voor een enkeling een bron van heimwee. 'Op het adres waar ik was ondergedoken werd het verlangen naar de lege stad waar ik vandaan kwam zo groot, dat ik op een dag de trein in glipte en terug ging. Aan het eind van de middag stond ik in de buitenwijk voor het huis waar we tot enkele maanden geleden hadden gewoond. De buurmeisjes speelden als gewoonlijk in de tuin, maar voor ze me hadden gezien was ik weggerend - ik wist dat ik hier niets meer had te zoeken. Een politieman, die 'savonds de schuilkelder binnen ging waar ik sliep, bracht me de volgende dag in zijn vrije tijd terug. Op weg naar het station reden we door de vertrouwde kale straten: nergens anders zou ik me ooit zo thuis voelen. Een betere stad bestond er niet.'

Dit artikel kwam tot stand na gesprekken met tal van (ex-)Rotterdammers en kennisneming van dagboeken en handschriften, die worden bewaard bij het Gemeentearchief Rotterdam. Geraadpleegde boeken: K. A. Mayer en L. Ott: Havenstad in de frontlijn; J. van den Broek: Herinner de dagen; J. G. Toonder: Het puin aan de Rotte; K. Mallan: Als de dag van gisteren; D. H. Couvee: De meidagen van '40; H. Romer: Zwarte lente.