'Als we verkeerslichten hadden gehad, hadden ze die ook stukgeslagen'; Koerdische stadjes in de vuurlinie

VAN, 12 mei - Op een pas hoog boven het Van-meer, dat zelf 1700 meter boven de zeespiegel ligt, komt het konvooi tot stilstand. Hier, op de grens van de Zuidoostturkse provincies Bitlis en Van, staat een honderdtal piekfijn aangeklede plaatselijke kopstukken van de Sociaal-Democratische Populistische Partij keurig in het gelid hun leider Erdal Inonu op te wachten. In het naakte berglandschap zijn, zover het oog reikt, leden van de veiligheidsdienst gestationeerd om te verhinderen dat Turkijes oppositieleider iets overkomt. Maar het is ook machtsvertoon: de troepen gedragen zich of zij bezig zijn aan een kleine manoeuvre.

Ietwat opgelucht rijdt de colonne de provincie binnen, waar het allemaal wat minder gespannen is dan in de rest van het Koerdische gebied dat drie dagen lang door Inonu is bezocht. Beneden, in het dorp Edremit, dansen gekostumeerde kinderen bij grote trom en schalmei. Aan de ene kant van het beeldschone meer, dat op toeristen wacht die nauwelijks komen, staat de ondergaande zon, aan de andere de opkomende maan, daarboven de besneeuwde bergen. En rondom het meer, Turkijes grootste, op elke kilometer een eenzame soldaat. Want ook dit moet worden beschermd tegen de terroristen.

De overigens wat grimmige tournee was ook met zang en dans begonnen. In een hotel van de Koerdenhoofdstad Diyarbakir dansten de laatste vier Koerdische afgevaardigden over wie Inonu nu nog beschikt, bij liederen met Koerdische tekst, ten overstaan van hun partijleider - een van die scenes die een jaar of twee geleden nog ondenkbaar waren. De Koerdische zanger werd later door de politie wel aangehouden, maar spoedig weer vrijgelaten zonder dat een aanklacht was opgesteld.

De vier Koerdische afgevaardigden vergezelden Inonu bij deze moeizame campagne, die mede ten doel had iets van de Koerdische sympathie terug te winnen, en uit te leggen waarom eerder dit jaar zeven Koerdische parlementariers uit de partij zijn gezet. 'Niet omdat zij Koerden zijn', zei Inonu in bijna elke toespraak, 'maar omdat zij zich niet aan de partijdiscipline hielden'.

Tegen de richtlijn van de partij in hadden zij in Parijs een Koerdisch congres bijgewoond. Uit protest tegen de beslissing - met vijf tegen vier - van de Disciplinaire Raad zijn daarna nog acht Koerdische en andere linkse afgevaardigden zelf uit de partij getreden.

Nog stiller

Steeds als Inonu, staande op het dak van zijn autobus, deze kwestie 'die ons allen verdriet doet' ter sprake brengt, wordt het in de kleine luisterende menigte nog stiller dan het al was. Het schaarse applaus blijft beperkt tot passages over de taal, passages die een paar jaar geleden uit zijn mond ook nog niet klonken: 'Iedereen in dit land moet vrij zijn, zijn eigen moedertaal te spreken, zoiets is nog geen teken van separatisme'. Maar hij verwatert dit weer door daarbij ook de Arabisch sprekenden te betrekken, een minderheid in het Koerdische gebied: 'Iedereen heeft recht op zijn moedertaal, of dat nu Turks, Arabisch of Koerdisch is'. Inonu, toch al geen bezielend spreker, komt in deze Koerdische steden en dorpen totaal niet over. Een groot deel van zijn toespraken wijdt hij aan de politieke situatie in Ankara. De regerende Moederlandpartij bleek bij de lokale verkiezingen van november 1988 zwaar in de minderheid te zijn gekomen. 'Zij zou de parlementsverkiezingen met een jaar moeten vervroegen. Dit besluit heeft ook de Engelse regering afgekondigd nadat die gemeenteraadsverkiezingen bleek te hebben verloren'.

Afgezien van het feit dat dit verhaal, zeker achtmaal door Inonu afgestoken, geheel uit de lucht is gegrepen - het zal de bevolking van Koerdische stadjes als Sirnak en Uludere een zorg wezen wat er in Engeland gebeurt. Zelfs Ankara ligt al erg ver.

Vuurlinie

De bevolking ligt er in de vuurlinie tussen de PKK, de Arbeiderspartij Koerdistan die al bijna zes jaar haar guerrilla voert, en de Turkse veiligheidskrachten. Zij moet soms voor de ene, soms voor de andere kiezen en ziet onderwijl evacues uit de dorpen rondom toestromen, die deze keus niet meer aankonden of die door de autoriteiten werden gedwongen hun haardsteden te verlaten opdat de PKK er niet meer op kon terugvallen voor proviandering.

Een stadje als Sirnak, dat de reputatie heeft een bolwerk van de PKK te zijn, is door deze bevolkingsaanwas zichtbaar aan het verpauperen, maar Inonu gaat als hij daar optreedt nauwelijks op deze noodsituatie in - het is de regeringspartij die verantwoordelijk is voor de werkloosheid en de duurte. Afgezien van enkele toespelingen op de 'onderdrukking' waaraan de bevolking wordt onderworpen, kan zijn toespraak in Sirnak overal in Turkije worden gehouden. Wel herhaalt hij zijn kritiek op de instelling van de dorpswachters, de duizenden bewapende autochtonen die tegen ruime betaling hun eigen dorpen moeten bewaken. Het instituut functioneert niet in een stammenmaatschappij als de Koerdische, en er zijn zelfs tekenen dat de dorpswachters het geweld aanwakkeren omdat zij, bij al het levensgevaar, economisch gebaat zijn bij voortduring van de onrust. Maar de laatste tijd worden de bewoners van deze overbevolkte stadjes veel meer getiranniseerd door de 'Bijzondere Teams'. Dat zijn kleine groepjes commando's zonder duidelijke leiding of discipline, naar eigen smaak ongedwongen geuniformeerd, rijkelijk versierd met patronengordels, die behaagziek door de straten lopen en door hun zonnebrillen superieure blikken werpen naar de plaatselijke bevolking.

Het zijn deze tims - het woord is hier al berucht geworden - die de woede in sommige stadjes tot kookhitte hebben doen stijgen. In Nusaydin en Cizre, allebei dicht bij de Syrische grens, kwam het eind maart na begrafenissen van enkele PKK-guerrillastrijders tot massale betogingen waaraan vrouwen, kinderen en ouderen deelnamen. Zoals Eruh en Semdinli legendarisch bleven omdat de PKK daar in augustus 1984 haar aanslagen begon, zo blijven Nusaydin en Cizre zes jaar later 'de geboorteplaatsen van de Koerdische intifadah'.

Inonu moet op zijn route driemaal door Cizre maar hij onthoudt zich van een optreden nadat hij er bij de eerste passage is uitgejouwd en met stenen bekogeld. Men ziet in hem voor alles de man die zich vorige maand aansloot bij Ozals stelling dat 'een militaire rebellie met militaire middelen moet worden bestreden'. De toestand in Cizre is bijna surrealistisch wegens het 'samenleven' van de twee machten: de Koerden en de commando's, die geen van beiden angst tonen, zelfs allebei proberen zich ontspannen voor te doen. Koerden praten openlijk over Koerdistan en tegen Turkije, een wappert met een, zelfs in Istanbul te enenmale verboden, Koerdisch-talig tijdschrift genaamd Media, terwijl buiten de bebaarde commando's met hun verende tred voorbijlopen. Deze Koerden zijn, als zij ooit al angst hebben gekend, deze nu definitief voorbij.

In Nusaydin, dat even terzijde van de grote weg ligt, vertoont Inonu zich niet eens. Hij zou er een gesprek hebben moeten voeren met de gekozen partijgenoot-burgemeester die echter intussen door de minister van binnenlandse zaken uit zijn ambt is ontheven omdat hij bezoekende journalisten dingen had toegevoegd als: 'Hier is iedereen PKK' en 'De commando's vernielden uit onze apotheken zelfs spullen die toevallig de kleuren van Koerdistan, rood-groen-geel, vertoonden. Als we verkeerslichten hadden gehad, zouden zij die ook hebben stukgeslagen'. Rijdend door het ontzagwekkende landschap merk je dat de natuur de functie van de verkeerslichten lijkt te willen overnemen. Althans in mei, als er overal klaprozen en gele bloemen tussen het groen staan.