'Nieuw Letterenbeleid WVC is geen verbetering'

AMSTERDAM, 11 mei - De Vereniging van Letterkundigen (VvL) verwacht van de recente voorstellen voor een nieuw Letterenbeleid geen grote verbetering. VvL-voorzitter H. Verdaasdonk is weliswaar verheugd dat het ministerie het beleidsplan van het Fonds voor de Letteren overneemt, waardoor het Fonds op den duur over 2,2 miljoen meer zal kunnen beschikken, maar hij vindt het zeer problematisch dat dit geld wordt weggehaald bij het leengeld. Hij wijst er op dat WVC op dit moment 5 miljoen aan de leenvergoedingen bijdraagt, waarvan 3,5 miljoen (70 procent) ten goede komt aan de schrijvers en 1,5 miljoen aan de uitgevers van uitgeleende boeken. Ook als de verhoging van het prijzengeld en de eregelden voor oudere schrijvers worden meegeteld, blijft het volgens de VvL de vraag of de schrijvers er op vooruit gaan.

De VvL reageert hiermee op een woensdag verzonden brief aan de Tweede Kamer waarin minister d'Ancona aankondigde vijf miljoen gulden te willen overhevelen van de leenvergoedingen naar het letterenbeleid. Als gevolg daarvan kunnen enkele literaire prijzen omhoog gaan, het budget voor het Fonds voor de Letteren gaat enkele jaren van 4,3 naar 6,5 miljoen, en er wordt meer geld uitgegeven aan leesbevordering en de conservering van literair werk. De VvL betreurt vooral dat het ministerie zijn handen geheel van de leenvergoeding afhaalt. Verdaasdonk: 'Wij hebben er in de afgelopen jaren steeds op aangedrongen dat er meer aan dichters en andere weinig uitgeleende auteurs zou worden uitbetaald. In plaats daarvan laat de overheid nu elke beinvloeding los.' Verdaasdonk constateert dat d'Ancona 'belangrijke knelpunten' onopgelost laat, zoals de sociale positie van de auteurs. De minister heeft weliswaar aangekondigd voor 25 oudere auteurs een 'eregeld' van 10.000 gulden te willen instellen, maar het aantal schrijvers dat 'in behoeftige omstandigheden' verkeert, is veel groter.

De voorstellen van d'Ancona komen er concreet op neer dat de tweehonderd schrijvers en vertalers die door het Fonds voor de Letteren worden gesubsidieerd, er gemiddeld 10.000 gulden per jaar op vooruit zullen gaan. Schrijvers die niet onder het Fonds vallen zullen er echter op achteruit gaan, tenzij ze, wat met literaire schrijvers zelden het geval is, zeer vaak worden uitgeleend, zoals A. C. Baantjer en Mien van 't Sant. Buitenlandse schrijvers die nu niet onder het leengeld vallen, zullen echter weer van de wijzigingen profiteren. De grootste klappen zullen, naar wordt verwacht, vallen bij de middengroepen van schrijvers die niet door het Fonds wordt uitbetaald en die ook niet zeer veel worden uitgeleend. Ook de bibliotheken hebben inmiddels laten weten weinig ingenomen te zijn met de voorstellen van de minister. Zij betreuren het dat zij de leenvergoedingen in de toekomst zonder enige steun van het ministerie moeten opbrengen.