Meidagen 1940 eindelijk ontdaan van mythen;

De meidagen van 1940 moeten, evenals het vervolg van de oorlogsgeschiedenis in Nederland, van hun mythen worden ontdaan. De strijd om de Grebbeberg is zo'n geval van dramatische mythevorming. In de Nederlandse geschiedschrijving overheerst de opvatting dat de Duitsers daar met SS-elitetroepen, opgepept door alcohol en heroine, onze soldaten hebben bevochten en daarbij allerlei misdrijven, daden in strijd met het oorlogsrecht, zouden hebben gepleegd. Incidentele ontsporingen hebben zich ongetwijfeld voorgedaan. Maar van een structurele schending van het oorlogsrecht (zoals door De Jong in deel III van de serie Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog beschreven) is geen sprake geweest. Ook blijkt niet dat SS'ers op de Grebbeberg met 'misdadige moordlust' zijn opgetreden. Dat zei drs. J. W. M. Schulten, docent strategie en militaire geschiedenis aan de KMA in Breda, gisteren op het congres Vijftig jaar na de inval van het Nederlands Historisch Genootschap, het Instituut voor Nederlandse geschiedenis, de Sectie militaire geschiedenis van de bevelhebber der landstrijdkrachten en het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie - in Amsterdam. Meer mythen werden doorgeprikt. Bijvoorbeeld de gangbare, onder meer door De Jong gehuldigde opvatting dat Nederland door zijn neutraliteitspolitiek en zijn geringe defensie-inspanningen de oorlog van mei 1940 al in de jaren twintig en dertig had verloren. Volgens dr. H. Amersfoort van de Sectie militaire geschiedenis van de landmachtstaf deugt die veronderstelling van geen kant. Naar zijn zeggen sloeg Nederland met zijn defensiepolitiek helemaal geen opvallend slecht figuur onder de grote en kleine staten van Europa en kan de Nederlandse vooroorlogse militaire en politieke leiders eigenlijk weinig of niets worden verweten.

Loe de Jong

Vijftig jaar na de traumatische meidagen wordt meesterverteller Loe de Jong, helaas buiten zijn aanwezigheid, van zijn troon gestoten. Jongere historici vinden dat zijn verhalen op hun feitelijke correctheid moeten worden onderzocht. Zij pleiten vurig voor een vorm van geschiedschrijving die 'niet door eigen ervaringen is vertekend' en voor een veel breder perspectief dan Loe de Jong heeft geschetst. Een frontale aanval op zijn oeuvre kan men het echter niet noemen. Daar zijn die jongeren te fatsoenlijk voor en bovendien respecteren zij hem in hoge mate. Bevrijd van het nauwe kader van nationale trauma's en mythen, eer en schande, goed en fout die bij De Jong zo centraal staan, menen ze dat de voetstoots aangenomen geschiedenis nu aan herinterpretatie toe is. Ook zou er een vergelijking met buitenlandse oorlogservaringen moeten komen en zouden de Nederlandse jaren 1940-1945 historisch-maatschappelijk in een veel breder perspectief (bijvoorbeeld 1920-1970) moeten worden geplaatst. Eindelijk komt de ontmythologisering op gang. Niet door pseudohistorische beeldvorming waarmee bijvoorbeeld de VPRO al jaren probeert duidelijk te maken dat niet de oorlog maar de provotijd de breuk in de vaderlandse geschiedenis betekende, maar door de jonge garde van historici, ook bij het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie. Zowel buiten als binnen het RIOD wordt gepleit voor minder dramatische beeldvorming en voor een nieuwe opzet van het instituut zelf.

Het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie zou op een nieuwe leest moeten worden geschoeid, meent bijvoorbeeld de Leidse historicus prof. dr. P. W. Klein, voorzitter van het Nederlands Historisch Genootschap dat een onderdeel vormt van de Akademie van Wetenschappen. Naar het voorbeeld van het Duitse Institut fur Zeitgeschichte in Munchen zou Klein van het RIOD een onderzoekinstituut voor contemporaine geschiedenis willen maken; een instelling waar de maatschappelijke ontwikkeling van Nederland in breed Europees verband systematisch wordt bestudeerd.

Middelmaat

Dat idee is niet nieuw. Het is in de jaren zeventig al eens gelanceerd door Kleins Nijmeegse collega prof. dr. A. F. Manning, tot voor kort voorzitter van het bestuur van Oorlogsdocumentatie. Manning stond toen alleen. Zijn plan verdween in de prullenbak, maar is er nu weer uitgehaald. De geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog is volgens Klein veel te lang te geisoleerd bekeken, alsof het slechts om een episode in de vaderlandse historie ging. Klein kwam enkele jaren geleden in aanvaring met De Jong wegens zijn kritiek op diens deel 11 (Nederlands-Indie). De Leidse historicus zou het liefst zien dat het geopperde onderzoekinstituut aan een universiteit zou worden verbonden, maar meent dat dit niet haalbaar is door de 'chaotische verscheidenheid' van Nederlandse historici van wie 'niemand uitkomt boven de gedegen middelmaat' en dat het ook financieel niet kan. Vandaar dat volgens hem het RIOD moet worden omgevormd en uitgebouwd. Op zo'n manier dat ook andere kernpunten, bijvoorbeeld de fascinerende, volgens hem allerminst muffe naoorlogse - door de dekolonisatie ontsierde - wederopbouwtijd centraal komen staan.

Hiermee wil Klein (volgens hem in navolging van historici als J. Bank en J. C. Blom) zeggen dat De Jongs hoofdthema's: jodenvervolging, collaboratie en de rol van koningin Wilhelmina, nu wel genoeg zijn uitgespit.