Fluwelen revolutie in PvdA is niet op afroep teontketenen

Waren het de intellectuelen en kunstenaars in Oost-Europa die K. L. Poll op het idee brachten om een selectie uit de Nederlandse intelligentsia bij elkaar te brengen teneinde de PvdA een hartversterking toe te dienen? In november, toen dit plan ontstond, oogstten in de DDR en Hongarije schrijvers als Christa Wolf, Christoph Hein en Georgy Konrad de vruchten van hun jarenlange, vooral met de pen en in het debat gevoerde, oppositie. In Praag stond Vaclav Havel op het punt president te worden.

Het was een tantaliserende en misschien ook ietwat romantiserende parallel, die Poll door het hoofd moet hebben gespeeld. Was niet in de DDR de muur gevallen en waren verkalkte politici niet geweken voor dissidenten met geen andere wapens dan idee en en hun verlangen naarvrijheid? Hoe kon het dan toch, dat er hier geen paneel ging schuiven, terwijl nota bene het vanoudsher socialistische bolwerk Amsterdam luidkeels werd vergeleken met de Sovjet-Unie van voor de perestrojka? Poll waagde een vlucht naar voren en kreeg Marjanne Sint, de voorzitter van de PvdA, mee voor zijn voorstel een groep onafhankelijk denkende sociaal-democraten en aanverwanten te inviteren om de bij de gemeenteraadsverkiezingen aangeslagen partij uit het slop te trekken. 'Al geruime tijd krijgen we van vele kanten signalen dat in het politieke debat binnen de sociaal-democratie iets ontbreekt: de spirit, het elan, de diepgang, de verrassende aantrekkingskracht van het nieuwe', heette het in een brief aan enkele tientallen intellectuelen, journalisten en kunstenaars. De geadresseerden werd verzocht 'in deze leemte te voorzien'. Dit openlijk beleden sociaal-democratische testimonium paupertatis was neergeschreven op briefpapier van de PvdA en mede ondertekend door de voorzitter. De uitputtende debatten over programmaherziening en partijstructuur hebben kennelijk in de visie van de PvdA-top achteraf toch te weinig nieuws opgeleverd. Een rapport als Schuivende Panelen, waaraan vele PvdA-prominenten hun medewerking verleenden, bleek de gewenste diepgang, spirit en elan te ontberen.

Kopij

Inmiddels is op 7 mei in de bovenzaal van de Beurs van Berlage de wetenschappelijke en culturele voorhoede-achterban van Poll en Sint voor het eerst bijeen geweest en het voornemen bestaat om er mee door te gaan. Maar het is nog niet duidelijk wat deze sessies - waarbij een lezing met discussie tot de vaste agendapunten behoort - moeten opleveren, behalve kopij voor het Hollands Maandblad en voor Socialisme en Democratie. De organisatoren en deelnemers verwachten waarschijnlijk geen wonderen, maar hopen tenminste inspiratie en denkbeelden op te doen.

Na afloop van de eerste bijeenkomst trok een aanwezige een voorzichtige vergelijking met de Fabian Society, een in 1884 opgericht genootschap van Britse intellectuelen dat ideeen formuleerde ten behoeve van de socialistische beweging en grote invloed heeft gehad op Nederlandse sociaal-democraten als Henri Polak, Wibaut en Van der Goes. In hun tijd bruiste het in de Nederlandse sociaal-democratie inderdaad van geestesleven, behalve bestuurd werd er ook koortsachtig gedacht en gedebatteerd. Berlages architectuur van de Beurs was op zichzelf al een uitdrukking van de toen bestaande en nu door Poll gewenste 'verhouding tussen sociaal-democratische politiek en het brede terrein van onderwijs, kunsten en wetenschappen'.

Creatieve en geleerde figuren, al dan niet aangesloten bij de SDAP, stelden er een eer in hun scheppingskracht in dienst te stellen van het socialisme. Op grote schaal werd de opvatting van George Bernard Shaw, lid van de Fabians, onderschreven, dat de overwinning van de arbeiders afhankelijk was van de bijdrage van de intelligentsia.

Ook al had die bijdrage in de ogen van pragmatici in de SDAP uiteindelijk vaak rampzalige effecten en waren de socialistische arbeiders niet altijd even gelukkig met het getheoretiseer van hun beter opgeleide partijgenoten of sympathisanten, het idee dat intellectuelen de sociaal-democratie kunnen redden, dook in tijden van crises altijd weer op. Jacques de Kadt pleitte in de jaren dertig in zijn tijdschrift De Nieuwe Kern zelfs voor een intellectuelen- of cultuur-socialisme, omdat het vermogen tot culturele ontplooiing de hoogste bestemming van de mens is. In zijn geschriften komen termen als elan en dynamiek met grote regelmaat voor als hij het heeft over de inbreng van een elite in de socialistische politiek. Idealisme

Kenmerkend voor de historische pogingen van intellectuelen om een rol te spelen in de sociaal-democratische beweging was hun idealisme. Onlangs beklaagde de Peruaanse schrijver en presidentskandidaat Vargas Llosa zich nog eens uitdrukkelijk over het gebrek aan inzet van de intelligentsia voor het kapitalisme. Volgens Vargas is het eigen aan schrijvers en intellectuelen dat zij de grenzen van de werkelijkheid willen verleggen en zich uit dien hoofde aangetrokken voelen tot utopieen en eschatologische ideeen die hij identificeert met het socialisme.

Maar het waren in het verleden wel de sociaal-democratische partijen zelf die dit idealisme uitdroegen en de bijbehorende doelstellingen formuleerden. De 'beweging' vormde de inspiratiebron, de vonk sloeg over van de partij naar het ontvlambare gemoed van aanvankelijke buitenstaanders.

Nu lijkt het omgekeerde te worden verwacht en moet een buitenwacht de partij gaan inspireren. Maar voor welk politiek doel? Uitgaande van welk beginsel? Het probleem schijnt juist te zijn dat het de PvdA ontbreekt aan doelstellingen die een beroep doen op idealisme en bezieling teweeg brengen.

Als deze partij, die al zolang zoveel intellect in huis heeft, niet bij machte is een eigen, nieuw perspectief te openen, waarom zou een vrij willekeurig geselecteerde groep sympathisanten en buitenstaanders daartoe dan wel in staat zijn? Een interne revolutie, zoals van Nieuw Links, is niet op afroep en niet van bovenaf te ontketenen, alhoewel Plato-vertaler Koolschijn in de Beurs een revolutionaire uitspraak heeft gedaan, toen hij zijn betrekkelijk ingewikkelde inleiding tijdens de discussie samenvatte in de heldere zinsnede 'ik wens geen proleten om mij heen'. Dat is andere taal dan Gorters 'En nu zijn de proletariers verre de meerderheid van alle mensen', andere taal dan zijn 'O schone personen / Dagende uit het vuur / Als wonderschone Nieuwe Wezens uit de Natuur'. Maar wie komen er voor die proleten, om wie het tenslotte was begonnen, in de plaats? Al die spirit, die diepgang, dat elan , waarvoor of voor wie moet dat eigenlijk?