Door overproduktie landbouw kiezen boeren voor chemischeindustrie

ROTTERDAM, 11 mei - De overproduktie in de landbouw brengt steeds meer boeren ertoe gewassen te telen voor de chemische industrie. Plantaardige olien nemen een bijzondere plaats in. In Nederland wordt nu al per jaar 850.000 ton olie en vet geproduceerd als basis voor was- en reinigingsmiddelen, kunststoffen, coatings en verven en smeermiddelen.

Niet alleen neemt de afzetmarkt voor bulkprodukten toe, maar ook komt er steeds meer vraag naar zogenoemde specialties, kleine hoeveelheden produkten met een hoge toegevoegde waarde. Vochtinbrengende dagcreme op basis van akkermoerasbloem, het klinkt onweerstaanbaar. 'Dat is het ook', zegt ir. Loek van Soest en hij neemt een duik in de kast. De produkten die hij tevoorschijn haalt - zeep, creme en lotion - zijn afkomstig uit het Amerikaanse Oregon waar een boerencooperatie de akkermoerasbloem (Limnathes alba) al op zo'n duizend hectare teelt. 'Vooral de export van deze cosmetica naar Japan is een doorslaand succes', aldus Van Soest. Binnen het Centrum voor Plantenveredelings Onderzoek (CPO) in Wageningen werkt hij al enkele jaren aan de introductie van het kniehoge, uitbundig bloeiende gewas in ons land. Daarvoor moet eerst nog veel worden verbeterd. In Oregon nemen de boeren op hun uitgestrekte, extensief beheerde bedrijven genoegen met een saldo van vijftig tot honderd dollar per hectare, in de intensieve Nederlandse landbouw ligt de zaak anders. Daar zijn de akkerbouwers gewend aan een saldo dat ten minste tien keer hoger is.

Van Soest is projectleider van het Nationale programma 'Plantaardige technische olien als nieuwe landbouwgrondstoffen voor de industrie' dat op 8 mei officieel van start is gegaan. Acht landbouwkundige instituten werken hierin samen met het oleochemisch bedrijf Unichema in Gouda. In Nederland loopt ook een project van de EG onder de naam VOICI (vegetable oils for innovation in chemical industries), waarin onder andere een cosmeticafabrikant en een producent van weekmakers deelnemen. Doel van beide projecten, die nauw op elkaar zijn afgestemd, is het leveren van halffabrikaten uit kleine proefveldjes, waarmee de industrie kan experimenteren. 'Het grootste knelpunt is de opbrengst', zegt Van Soest. 'Die moet, afhankelijk van het gewas, met dertig tot honderd procent omhoog.' Er zijn tien kansrijke gewassen uitgekozen voor nader onderzoek. Akkermoerasbloem bijvoorbeeld is interessant door de bijzondere vetzuursamenstelling. De vetzuren hebben langere ketens (twintig tot 24 * lstofatomen) dan de veelgebruikte, goedkopere tropische olien zoals palm- en pinda-olie (met zestien tot achttien koolstofatomen). Deze speciale ketenlengte is van groot belang voor de consistentie van het vet en maakt akkermoerasbloem geschikt voor gebruik in cosmetica. Het produkt voelt minder waterig aan op de huid.

Weer andere gewassen zijn van belang omdat ze vetzuren bevatten met functionele groepen die de moleculen geschikter maken voor bepaalde reacties. In de levensmiddelenindustrie maakt men veel gebruik van bio-emulgatoren om waterige en vetachtige produkten goed gemengd te houden. Vroeger stond er soms een centimeter olie op de pindakaas, tegenwoordig is het produkt homogeen (een emulsie) dank zij de aanwezigheid van zulke 'nieuwe' vetzuren. 'Bij het zoeken naar toepassingen moet je van het begin af aan zo nauw mogelijk met de industrie samenwerken', onderstreept ir. Freek Mulder, projectleider van het VOICI-project. 'Als we eind jaren negentig vier of vijf van die gewassen commercieel op de markt hebben, zou dat heel mooi zijn', vult Van Soest aan. 'En dan denken we aan kleine arealen net zoals voor karwij of vlas op dit moment, zo'n 3.000 tot 5.000 hectare.' Niet alleen is de zaadopbrengst vaak laag, het zaad wordt ook niet tegelijk rijp. Daardoor gaat veel verloren. 'Wij hadden hier vorig jaar voor het eerst Euphorbia', zegt ir. Gerard Borm van het Proefstation voor de akkerbouw en groenteteelt in de vollegrond in Lelystad. 'Op zonnige dagen hoor je aan alle kanten 'klak, klak, klak'. Die zaden vliegen je om de oren, de plant blijkt ze van zich af te slingeren.'

Onderzoek moet nu uitwijzen of de ouderwetse oogsttechniek van het zwadmaaien hier uitkomst kan bieden. Het gewas wordt dan niet droogrijp, maar groen geoogst en moet dan nog narijpen.

Ook de mechanisatie vergt aanpassing. De imposante Harvester-combine die het bedrijf Cebeco vorig najaar liet aanrukken om op een Zeeuws proefveldje akkermoerasbloem in aanwezigheid van een groep genodigden feestelijk te oogsten, kon onverrichterzake weer naar huis. Een stofzuiger was misschien meer op zijn plaats geweest. Op het Agrotechnologisch Onderzoeksinstituut (ATO) in Wageningen worden de oliemonsters van de proefveldjes onderzocht. Ook wordt aan nieuwe technologie gewerkt. Veelbelovend is het onderzoek waarin de olie wordt geleid door een membraan waarop zich enzymen bevinden die selektief een bepaald gewenst vetzuur uit het oliemolecuul kunnen knippen. 'In Japan wordt deze techniek al commercieel toegepast en in Engeland staat een proeffabriek', zegt dr. Wim van Gelder van het ATO. 'Nederland loopt hierbij helaas achter. ' Dr. Theo Hutten van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in Den Haag verkent de nieuwe markten. 'Voor bestaande toepassingen zoals zonnebloemolie, raapolie uit koolzaad of lijnolie uit vlas weet je wat de kostprijs van de olie mag zijn, wat de alternatieven op de wereldmarkt zijn en wat de bijprodukten opbrengen. Daardoor valt ook voor een nieuwe toepassing zoals biodiesel uit lijnzaad of koolzaad redelijk goed aan te geven wat de kostprijzen zijn en waar je rekening mee moet houden in de logistiek. Als je een nieuwe toepassing voor lijnolie introduceert, neemt ook het overschot aan het bijprodukt, lijnkoek toe. Als je het aanbod van lijnkoek aan de veevoerindustrie verdrievoudigt, kan die prijs kelderen. Daar hebben we modellen voor, met ingebouwde onzekerheidsmarges enzovoorts.' Voor nieuwe gewassen die nog niet op het veld staan ligt het moeilijker. Industriele proceskosten bijvoorbeeld zijn sterk afhankelijk van de capaciteit. Bij de introductie van nieuwe oliegewassen moet men daar scherp op letten. Zo loont het bij hoogwaardige olien de moeite om de laatste druppel uit de koek te persen met behulp van hexaan. Maar aangezien dat een vluchtig, brandbaar stofje is, is daarvoor een speciale, kostbare installatie nodig. Zo'n installatie bouw je niet voor 5.000 ton zaad.

De opbrengsten van het schroot - het restprodukt bij de plantaardige-oliewinning - zijn in de orde van grootte van dubbeltjes per kilo. Toch kan een dubbeltje meer of minder voor de boer net uitmaken of de verbouw commercieel wel of niet haalbaar is. Als het schroot van de nieuwe gewassen onverkoopbaar blijkt, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van ongewenste stoffen, dan zit men met een fors afvalprobleem.

Specialties brengen het meest op, zo'n zeven tot tien gulden per kilo olie. Er moet echter worden voldaan aan hoge kwaliteitseisen van de industrie. Een gewone oogst- en persmethode is misschien niet goed genoeg, omdat eiwit in de olie achterblijft of andere ongewenste produkten. Hoe hoogwaardiger het produkt, des te hoger vaak de kosten van zuivering.

Vast staat dat de nieuwe gewassen weinig kans maken zolang de granen voor de akkerbouwer dank zij de subsidies van de EG een saldo van zo'n 1.700 tot 2.200 gulden per hectare opleveren. Misschien zullen zelfs de specialties uit de nieuwe olierassen het voorlopig niet zonder subsidies redden. Daarbij is ook de ontwikkeling van de olieprijs van groot belang. 'Geen enkel olieverwerkend bedrijf zal zich aan de landbouw willen binden', meent Hutten. 'Van de vier grote zeepfabrikanten is alleen Henkel echt op de landbouw gericht. Unilever interesseert het niet waar de grondstoffen vandaan komen. Kwaliteitsverschillen worden lang niet altijd uitbetaald. Als ze het morgen goedkoper in Polen kunnen halen, dan doen ze dat, ook al is de kwaliteit minder.'