De reportages van Justus van Maurik; In de snijkamer van hetvolksleven

Justus van Maurik (1846-1904) was misschien niet een heel groot schrijver, maar wel was hij een aantrekkelijke geschiedschrijver van het alledaagse volksleven in de negentiende eeuw. In de serie Literatuur en journalistiek beschrijft Geert Mak de ontwikkeling van een entertainer die journalist werd. 'Hij was de James Fenton van de Warmoesstraat.' Er is een verhaal van, ik meen Charles Dickens, over een man die zo van de winterse knusheid hield dat hij soms zelfs hartje zomer 's avonds de haard aanstak en de gordijnen sloot. Een van zijn ondergeschikten moest dan, om het winterse genoegen van zijn meester nog te vergroten, stampend voor het huis heen en weer lopen en luidop 'Brr' roepen.

Die laatste man was Justus van Maurik. Hij was degene die gedurende de laatste helft van de 19de eeuw voor de hele Hollandse burgerij naar buiten is gegaan, stampvoetend vertelde hoe het daar was, en Brr riep.'Het Water', zo heette de buurt waar Van Maurik op zondag 16 augustus 1846 als zoon van een tabakshandelaar werd geboren. Het was een rij van amper honderd hoge, smalle huizen, daarvoor een lange kade, met tonnen en karren en beurtschippers en daarachter het eeuwige silhouet van de Oudekerktoren. Samen met zijn vriendjes zwierf de jonge Van Maurik dag-in dag-uit door de bonte menigte die dit gebied - het Damrak en de Dam - bevolkte. Ze speelden in de sloppen daarachter, plaatsen waar geen gewone Amsterdammer ooit een voet durfde zetten en die poetische namen droegen als 'Het Hol', 'Het Rattennest' 'De Dubbele Worststeeg' en - wat verderop - 'De Duvelshoek'. De jonge, magere, wat ziekelijke Justus van Maurik nam alles wat hij zag met ongekende scherpte in zich op, en die gewoonte hield hij tot het eind van zijn leven. Hij was van kindsbeen af een geboren imitator en aanvankelijk dienden zijn waarnemingen vooral om wat hij op straat had meegemaakt thuis of bij zijn vriendjes nog eens smakelijk na te vertellen. Toen hij wat ouder werd gingen die gebeurtenissen en ontmoetingen een eigen leven leiden. Ze werden de bron voor talloze, typische Van Maurik-stukjes die eerst in het weekblad De Amsterdammer - de latere Groene Amsterdammer - verschenen en die later in grote oplagen gebundeld werden.

Typische Van Maurik-figuren uit die achteraf-sloppen waren bij voorbeeld Isaak de Schoenpoetser, Teun de Nachtwacht, Tijs de Jolleman, de twee Japanneesjes die met houterige armpjes en stijve pasjes voor een cent een dansje maakten en de twee bedelaarsters die kinderen 'huurden' voor een dubbeltje per dag - 'Verleje winter had die zwarte 'n wurm van drie jaar, met een verbrand gezichtje en een krom beentje, meheer-lief, daar heit ze goud mee verdiend'. Laten we eerlijk zijn: hoge literatuur vormden die schetsen niet. Maar ze zijn desondanks vandaag de dag een goudmijn voor de liefhebber van een bepaald soort geschiedenis: de geschiedenis van het kleine, van de ademhaling van het gewone, dagelijkse leven. Justus van Maurik was, op zijn eigen wijze en misschien wel ongewild, een uitstekende chroniqueur van zijn tijd.

Vuilnishopen

Toen Justus van Maurik met schrijven begon had Amsterdam nog het karakter van een Derde-Wereldstad. Een stadsbeschrijving uit die jaren spreekt over 'walgelijke vuilnishopen, mestbelten en dergelijke' die het straatbeeld markeerden. De grachten waren intens vuil en toonden bij laag water 'hare onbeschrijflijke inhoud'. Regelmatig kwamen er nog cholera-epidemieen voor die vele honderden slachtoffers eisten.

Het culturele klimaat was van een soortgelijke benauwdheid. De toon werd gezet door de ongenaakbare en stijf-deftige rederijkers. Er waren tientallen clubs waarvan de leden zich uitsloofden in holle declamaties, zich halve goden waanden en op vergaderingen met borsten vol medailles zaten.

Tegen die achtergrond wordt het begrijpelijker waarom Van Maurik, met zijn simpele maar natuurlijke volksschetsen, al snel razend populair werd. Het publiek was na al die bombast en kunstenmakerij duidelijk toe aan iets heel anders, aan iets echts, aan iets ongekunstelds en Van Maurik gaf hun dat. Hij schreef geen verhaal, of hij sprak vooraf uitvoerig met allerlei mensen van de straat om de taal en de kracht en de kleur ervan zo goed mogelijk te kunnen weergeven. De meeste van Van Mauriks verhalen zijn dan ook niet gemaakt om stil te lezen, maar om na te vertellen, om erbij rond te springen, om rare bekken te trekken, om niet Van Maurik de schrijver maar Van Maurik de imitator volledig tot zijn recht te laten komen. Ze zitten stampvol dialogen, rare details en pauzes om het geeerde publiek even uit te laten lachen.

Het was ook op dit vlak dat Van Maurik in zijn latere jaren de meeste faam verwierf. Avond aan avond trok hij overal in het land stampvolle zalen met voordrachten uit eigen werk. Op het Persfeest van de Amsterdamse Koloniale Tentoonstelling in 1883 werd zelfs een aantal van zijn straatfiguren lijfelijk aan het publiek getoond - alleen de twee Japanneesjes hadden geweigerd te komen, zelfs niet voor de beloofde tien gulden, ze wilden niet tentoongesteld worden, zeiden ze.

In zijn inleiding bij The Faber Book of Reportage stelt de Engelse journalist John Carey dat aan het eind van de vorige eeuw de krantereportage de functie van de religie als referentiepunt heeft overgenomen voor dingen die buiten het eigen gezichtsveld van de burger plaatsvinden. 'De reportage voorziet de moderne mens van het permanente en geruststellende gevoel dat er ook buiten zijn eigen horizon van alles aan de hand is - geruststellend, juist ook als het om verschrikkelijke gebeurtenissen gaat, omdat die des te heviger contrasteren met de veronderstelde veiligheid van de lezer', aldus Carey.

In het geval van Justus van Maurik was die sociale functie wel heel duidelijk. Hij was, inderdaad, de man die 'Brr' zei.

Van Maurik was een groot bewonderaar van Charles Dickens. Ook zijn helden waren braaf of slecht, ze deden zich voor zoals ze waren en aan ingewikkelde zielsconflicten had Van Maurik een broertje dood. Hij had geen enkele affiniteit met de nieuwe richting in de letterkunde die tijdens zijn schrijverschap in Frankrijk opkwam en die in ons land de stoot zou geven tot de bekende beweging van de Tachtigers. Het was dan ook niet verwonderlijk dat al snel na de oprichting van de Nieuwe Gids vanuit die hoek een harde aanval werd ondernomen op de toen zeer populaire Van Maurik. In het februarinummer van 1886 betitelde Frans Netscher hem als 'een flauwe fratsenmaker, die in de snijkamer van het volksleven laffe aardigheden verkoopt' en die geen enkel gevoel heeft voor 'de wetten der menselijke psychologie'.

Hij verweet Van Maurik zich volstrekt niet om de werkelijkheid te bekommeren, maar alleen maar uit te zijn op effectbejag.

Het harde oordeel van de jongeren en hun miskenning van zijn gave om het gewone stadsleven en de gewone straattaal precies weer te geven zoals ze waren - een zeldzame eigenschap onder de toenmalige schrijvers - raakten Van Maurik meer dan hij liet merken. Volgens zijn vrienden begon hij zich er meer dan ooit op toe te leggen mensen en gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk weer te geven. Zijn verhalen werden strakker, minder op effect gericht en in toon en stijl begonnen ze iets van een moderne reportage te krijgen. Zo ontstonden zijn twee laatste bundels: Amsterdam bij dag en nacht en Toen ik nog jong was.

Industrialisatie

Toen Van Maurik op 18 november 1904 op 58-jarige leeftijd overleed was hij nog zo populair dat De Amsterdammer een heel nummer aan hem wijdde en een deftig comite in het Oosterpark een speciale Justus van Maurikbank liet plaatsen. Maar daarna was het snel afgelopen met zijn roem. Vandaag de dag zijn zijn werken nog slechts hier en daar antiquarisch verkrijgbaar.

Een belangrijke oorzaak van deze val ligt voor de hand: veel van Van Mauriks populariteit gold zijn rol als spreker, als imitator, als acteur zo u wilt. Met zijn overlijden was dat voorbij en bleven alleen zijn papieren kinderen over.

Daarbij kwam een ander feit: Van Maurik was geen man van de twintigste eeuw, maar van de vroege negentiende eeuw, iemand die een duidelijk oog had voor het sociale onrecht in de grote steden, maar - grotendeels onbewust - de industrialisatie en de moderne tijden als grote boosdoener zag. Werd het werk van iemand als Heijermans gedragen door nieuwe ideeen, door een wil tot veranderen, bij Van Maurik domineerde een ondertoon van melancholie en nostalgie.

Bekrompen was Van Maurik allerminst. Als redacteur van De Amsterdammer werkte hij jarenlang innig samen met de radicale hoofdredacteur De Koo en de latere 'tweede man' van de SDAP P. L. Tak. Maar in zijn persoonlijke opvattingen bleef hij anti-feministisch, anti-socialistisch en conservatief.

Van Maurik maakte stukjes. Stukjes die zijn tijdgenoten tegen het eind van zijn leven steeds minder goed konden plaatsen - en hij zelf vermoedelijk ook niet. Hij noemde zichzelf schrijver, maar hij maakte, althans volgens onze normen, geen literatuur - vermoedelijk heeft hij op dat gebied ook nooit veel pretenties gehad. Maar hij maakte wel reportages, zeker in zijn laatste jaren. Zijn verhaal over een rondgang door het zogenaamde Fort van Sjakoo, een treurig afbraakpand aan de Elandsgracht, zou wat journalistieke stijl betreft honderd jaar later nog zonder veel problemen in een weekendbijlage van het Parool, de Volkskrant of NRC Handelsblad geplaatst kunnen worden. Hij schreef levendig, en met zoveel details dat de lezer als het ware aan zijn haren werd meegetrokken en naast de schrijver onontkoombaar medegetuige werd. We zien aan het IJ de ratten onder de palen van de Oude Stadsherberg exerceren als het eb is, we ruiken de lucht van dertig opeengepakte Duitse maaiers als de luiken van een beurtschipper opengaan, we voelen de eeuwige tocht in de oude Beurs van Zocher en we slapen met een paar dakloze jongetjes in oude glaskisten aan het Singel, kortom, wat dat betreft was Van Maurik in alle opzichten een moderne reporter, de James Fenton van de Warmoesstraat.

Strijd met de taal

Alleen een element bleef lange tijd bij hem ontbreken: de permanente strijd met de taal. Toch is het juist dat element dat een reportage als reportage een blijvende waarde geeft. In tegenstelling tot een verzonnen verhaal moet een reportage het enkel en alleen hebben van de kracht van de realiteit, in al haar kleur en verscheidenheid. Taal simplificeert, generaliseert, moraliseert soms, en wie probeert realiteit in taal om te zetten - de kern van iedere journalistieke arbeid - dient daarom in een voortdurende staat van alarm te verkeren. Bovendien moet de lezer bij de les gehouden worden, zonder dat men zijn toevlucht kan nemen tot een aardig verzinsel, zoals bij de fictie mogelijk is. Ook hier is de enige redding de kracht van de realiteit. Dat nu, is het grote probleem met Van Maurik.

Een van de mooiste voorbeelden van excellent 19de-eeuws reportagewerk levert Stendhal als hij in De Chartreuse van Parma zijn held Fabricio de slag bij Waterloo laat meemaken. Fabricio ziet mannen vallen, hij ziet kleine hoopjes aarde opstuiven en dan pas denkt hij: 'Hee, ik ben onder vuur'.

De taal interpreteert hier niets, de taal verklapt niets, lezer en hoofdpersoon komen tegelijk met een schok tot de ontdekking dat er iets helemaal niet in de haak is.

Het vereist een enorme discipline om zo te schrijven dat de taal de realiteit niet overdekt, en vaak lukt het zelfs dan niet, omdat de wereld van onze woorden nu eenmaal beperkt is. Gedurende een groot deel van zijn loopbaan is Van Maurik dat gevecht echter zelfs nooit aangegaan. Tussen zijn nuchtere beschrijvingen regent het waardeoordelen en bijvoegelijke naamwoorden, en als hij iemand geen 'stumper' noemt dan is het wel een 'ellendig schepsel'. Maar dan opeens gebeurt er iets. Of het komt door de kritiek van die kwajongens van Tachtigers of door iets anders, maar opeens zijn er die laatste schetsen en verhalen, en plotseling is er een juweel van een reportage over een oude man in een woonark aan de Westerdoksdijk die langzaam in de modder wegzakt. Van Maurik schrijft gewoon wat hij ziet en wat hij gehoord heeft, zijn morele oordelen heeft hij losgelaten en over de vraag waar de man vandaan komt en wat er met hem gebeurd is, speculeert hij zelfs niet meer. De helft van het verhaal blijft zo een raadsel, voor de lezer en voor hem zelf, maar de deklaag van de 19de-eeuwse moralist is verdwenen en hij laat de geschiedenis zich ontvouwen zoals die was, in al haar helderheid en onvolmaaktheid.

De jongen van het Water die de gracht gedempt zag worden, de conservatief die niet tegen sociale misstanden kon, de knecht die decennia lang Brr riep, hij is als een journalist gestorven.

Dit artikel is de bekorte versie van een lezing die onlangs gehouden werd in de serie Literatuur en Journalistiek, georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam i.s.m. NRC Handelsblad.