De kei der zotheid; Overzichtstentoonstelling van James Ensor

De Belgische schilder James Ensor schilderde zichzelf eerst als skelet, toen als Jezus aan het kruis en tenslotte als Christus die Brussel binnentrekt. Hij voelde zich al op zijn twintigste miskend en leidde een teruggetrokken bestaan in zijn geboorteplaats Oostende. Toch werd hij aan het einde van zijn leven beroemd en in 1929 gaf de Belgische koning hem zelfs de titel 'baron'. Kasper Jansen bezocht in Parijs de grote overzichtstentoonstelling van het werk Ensor en zag er de skeletten, demonen en maskers.'De intocht van Christus in Brussel', het belangrijkste schilderij van James Ensor, hangt niet op de aan hem gewijde expositie in Parijs. Het reusachtige werk van 2,58 bij 4,31 meter bevindt zich sinds 1987 in het J. Paul Getty Museum in Californie en het doek is inmiddels te fragiel om nog te vervoeren. Maar in de laatste zaal van het Petit Palais kan men het wel zien, nog immaterieler dan het origineel nu is: via een diaprojector en op ware grootte. Gelukkig maar, want een Ensor-tentoonstelling zonder zijn 'Intocht' is als een bijbel zonder het verhaal van de kruisiging, als een mens die slechts bestaat uit een skelet.

Wat zou James Ensor ervan gevonden hebben: zijn 'Intocht van Christus in Brussel' helemaal aan de andere kant van de wereld, voor eeuwig gestrand in Malibu? De schilder, die zelf vrijwel nooit reisde en zijn schilderij tot zijn dood in 1949 eenenzestig jaar lang thuis hield in Oostende, zou waarschijnlijk toch niet echt verbaasd zijn. Voor Ensor was het vast en zeker de finale bevestiging geweest van de dubbele Belgische moraal die zijn leven beheerste: hij werd als kunstenaar wel geeerd maar niet begrepen, hij was een vreemdeling die was binnengehaald maar toch een buitenstaander bleef, een visionair die zijn toeschouwers hun eigen lege innerlijk toonde, ook al bleken zij ziende blind.

De Belgische regering wilde of kon - waar ligt de grens? - drie jaar geleden het rijkste museum ter wereld niet overbieden, toen eigenaar Louis Frank de 'Intocht' wilde verkopen. En zo verdween het roemruchte Belgische schilderij dus voorgoed uit het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Welk ander land kon bogen op een schilderij met zulk een titel: de intocht van Christus, gevolgd door de naam van de eigen hoofdstad. Welke andere stad dan Jeruzalem heeft Onze Lieve Heer ooit mogen ontvangen en onthalen? Zo'n schilderij lijkt voor ons nogal godslasterlijk en op zijn minst al te kinderlijk en goedgelovig. De intocht van Christus te Amsterdam - die zou ongetwijfeld gepaard gaan met rookbommen en rellen. Zo niet de intocht van Christus te Brussel, dat is een enorm volksfeest. De hele stad is uitgelopen, ik denk op de Place de Brouckere, waarheen ook de opa en oma zaliger van Jacques Brel gingen om te zwieren. Brussel was immers toen nog een bruisende stad. De intocht bestaat uit een enorme kleurige optocht, met veel banieren, muziek en fanfare, iedereen is gemaskerd, het is duidelijk carnaval, het begin van de lijdenstijd. Ondanks zijn aureool valt Christus zelf, gezeten op een ezeltje, nauwelijks op temidden van die bonte stoet van Brusselaars, de welgedane bourgeoisie zo op het oog.

Wat echt opvalt is een rood spandoek boven de optocht: 'VIVE LA SOCIALE' staat er. Awel? Wordt Christus daar binnengehaald uit naam van het goddeloze socialisme? Of hing dat doek daar al toevallig en hebben die feestvierders niets in de gaten? Welke intocht is het trouwens: een processie als kopie van Palmzondag in Jeruzalem of is het de wederkomst van Christus op aarde, als hij op de jongste dag komt oordelen, de levenden en de doden en de Belgen? En wat beduiden die Fanfares doctrinaires, toujours reussi, zoals er op hun vaandel staat? Wordt hier de christelijk-sociale politiek verheerlijkt of juist belachelijk gemaakt? Vive Jesus, roi de Bruxelles staat er rechts nog te lezen.

Het is duidelijk: dit schilderij is niet eenvoudig te verklaren en bovendien heeft de schilder zijn bedoelingen ermee nooit echt verduidelijkt. Zeker de zo gelovige Belgische koning Boudewijn zou er ook nu nog met gemengde gevoelens naar kijken. Vooral omdat we in Christus een zelfportret herkennen van James Ensor. Hij lijkt erop en hij is het ook inderdaad. Twee jaar voordat hij de 'Intocht' schilderde zat Ensor bij de Brusselse familie Rousseau op zo'n ezeltje. Er bestaat daarvan een foto, Ensor wordt geflankeerd door twee vrouwen, in wie men dan steeds meer geneigd is de beide Maria's te zien. En twee jaar voor de 'Intocht' tekende Ensor een kruisiging naar het voorbeeld van Rembrandt. Boven Christus hangt het opschrift, niet met de letters INRI (Jezus van Nazareth, koning der Joden) maar met de naam ENSOR. Op de rug van een van toeschouwers op Golgotha staat XX, de naam van de kunstenaarsgroep waarvan Ensor een van de twintig oprichters was. En de zijde van de gekruisigde Ensor wordt doorboord met een lans, waarop de naam prijkt van Fetis, de machtige Belgische criticus en kunstpaus die het werk van Ensor fervent had veroordeeld. Willem Kloos noemde zich tezelfder tijd nog enigzins afstandelijk 'een God in 't diepst van mijn gedachten'. Ensor stelde zichzelf zonder meer gelijk aan Christus. Het was niet eens een 'imitatio Christi' maar een regelrechte vereenzelviging, zij het vooral met de bedoeling satire te bedrijven.

Demonen

Zesentwintig jaar oud was Ensor toen hij zijn 'Intocht in Brussel' schilderde; vierentwintig was hij toen hij zichzelf aan het kruis afbeeldde, twintig jaar was hij toen hij zijn 'Zelfportret in 1960' etste: een liggend skelet met wat kussens in de rug, omringd door een reuzespin en een paar slakken. In 1960 zou het honderd jaar geleden zijn dat Ensor werd geboren. Lange tijd zag het er naar uit dat hij die leeftijd toch nog levend zou halen. Maar in 1949, op zijn 89ste, kreeg hij een beroerte en stierf hij in het Heilig Hart-ziekenhuis van Oostende.

Hoe waren de eerste twintig levensjaren van Ensor verlopen, hoe kwam het dat hij zo'n macaber beeld had van de toekomst en zichzelf zag als martelaar, een man van smarten, de Belgische Multatuli? James Ensor was de zoon van James Frederic Ensor, een Engelsman die in Oostende verzeild was geraakt, en van Maria Catharina Haegheman, wier ouders in Oostende een souvenirwinkel hadden die zij overnam. Ensor groeide op tussen onbenullige prentbriefkaarten, chinoiserieen, snuisterijen, prullaria en carnavalsmaskers. Ze trokken als demonen zijn geest binnen en zouden later zijn huis en zijn schilderijen blijven bevolken. Hoe opzienbarend nieuw, modern en schokkend voor de buitenwereld zijn werk vaak ook was, voor Ensor was het allemaal traditie, de zorgvuldig instandgehouden voortzetting van zijn eerste belevenissen in zijn ouderlijk huis.

Vanaf zijn veertiende kreeg Ensor schilderles in Oostende, al op zijn zeventiende werd hij leerling van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel. Op wat vriendschap na, zoals met de jonge Rousseau, was zijn Brusselse tijd niet gelukkig. Hij voelde zich ontheemd, niet naar waarde geschat en hij kon zich niet vrij uiten op de Academie. Later sprak hij over 'dat gesticht van bijzienden'. Na drie jaar, in 1880, was Ensor terug in Oostende, dat hij op een enkel reisje naar Holland en Engeland en een paar bezoeken aan de Rousseaus in Brussel na niet meer zou verlaten. Hij was nog slechts twintig jaar, teleurgesteld en woonde weer bij zijn ouders, boven de winkel op de hoek van de Vlaanderenstraat en de Van Iseghemlaan. Op zolder richtte hij een atelier in, waar hij tekende, etste en schilderde. Zijn ouders begrepen er niets van, de rest van de wereld nauwelijks meer, slechts hoogst zelden verkocht hij iets. En zijn 'Intocht van Christus in Brussel' (1888) werd door zijn eigen medeleden onder leiding van Octave Maus geweigerd als bijdrage aan een tentoonstelling van Les XX. Die uitsluiting was in strijd met het de door hemzelf mede opgestelde reglement.

Als men in de 'Intocht' de wraak van Ensor ziet op het Brussel dat hem verguisde en de aankondiging van de eer die de miskende profeet in eigen land tenslotte toch ten deel zou vallen alvorens hij zou worden gekruisigd, dan was het schilderij wel vervaardigd met bijzondere voorzienigheid. Want nu werd hij vanwege die 'Intocht' ook nog geloochend en verraden door zijn eigen schildervrienden.

Ensor rolde 'De Intocht' vervolgens voor jaren ontgoocheld op. Hij neemt pas acht jaar later definitief wraak op de Brusselse kunstwereld en schildert 'Les cuisiniers dangereux': de kok Octave Maus dient een schotel op met het hoofd van Ensor, Edmond Picard (stichter van het blad l'Art moderne) bakt in de koekepan het hoofd van Ensors vriend Willem Vogels. Aan tafel zitten de critici, onder wie Fetis, die er niets van lusten en de hier geserveerde spijzen uitbraken.

Dat hij een traditioneel geschilderd zelfportret omwerkt door zichzelf een bloemrijke vrouwenhoed op te zetten behoort nog tot zijn vriendelijkste bizarrerie. Telkens weer tekent hij duivels en skeletten, ze biljarten met elkaar of ze zijn de dood zelf, jagend op grote groepen mensen. Ook maakt hij opnieuw een grotesk zelfportet: het schilderende skelet. En hij blijft maskers schilderen. Skeletten en maskers lijken metaforen voor de mensen zonder vlees en bloed, voor lege en holle mensen, ontdaan van individualiteit, van een eigen mening, van een ziel.

Karel Jonckheere schreef later dat Ensor de wereld van jongsaf aan niet bekeek met speelsheid maar door de ogen van een cynisch en wreed kind. Op foto's van rond 1880 zien we hem aan het strand van Oostende terwijl hij door zijn vriend Rousseau aan zijn hoofd wordt 'geopereerd': de 'kei der zotheid' moest eruit. Het lukte niet, ooit is iets demonisch in zijn ziel gevaren dat niet meer was te verwijderen en waarvan hij in zijn verbazingwekkende schilderijen verslag deed. Op een andere foto knabbelt hij aan een stuk geraamte.

Altaarstuk

Ensor was na het echec te Brussel de kluizenaar van Oostende. Negenenzestig jaar leeft hij in de Vlaanderenstraat, tussen de mondaine Zeedijk en het Wapenplein, waar hij cafe Falstaff frequenteerde en later het carnaval presideerde en de maskerade aan zich voorbij liet trekken. Ensor had wel een vriendin, Augusta Boogaerts, maar trouwde niet met haar en woonde alleen nadat zijn ouders waren overleden. Hij schilderde een ondanks de sarcastische objectiviteit aangrijpend portret van zijn dode moeder, met op de voorgrond het stilleven van de flessen met medicijnen die niet hebben hebben geholpen: Effets de medicastres.

In 1917 verhuisde hij naar een geerfd huis dertig meter verderop in de Vlaanderenstraat. De souvenirwinkel daar hield hij tot zijn dood in 1949 zorgvuldig in stand, al werd niets meer verkocht uit de etalage vol exotische schelpen, maskers, skeletten en morbide curiosa, zoals een 'nikkertje' dat kluift aan een blank vrouwenbeen, opgezette kikkers die schaatsen, een schedel met hoge hoed en zeemeerminnen: wezenloze doodskopjes, overgaand in opgezette visselijven.

De etalage en de rest van de inrichting zijn inmiddels zoveel mogelijk gereconstrueerd. Na Ensors dood werd het huis, overvol met spulletjes en talloze schilderijen, eerst leeggehaald. Er staan nu soortgelijke meubels als Ensor had en er hangen kopieen en kleurenfoto's van zijn schilderijen. De soms angstaanjagende uitstalling in de etalage en de winkel - het lijkt wel of men er binnenstapt in een schilderij van Jeroen Bosch! - vormt nu het meest intrigerende van het Ensor Museum, dat zijn huis sinds 1952 officieel is, maar in feite al in 1917 door de schilder voor zichzelf werd gesticht.

In zijn salon hing Ensor boven zijn harmonium 'De intocht van Christus in Brussel'. Slechts twee keer tijdens zijn leven kreeg de wereld het schilderij te zien: op tentoonstellingen in 1929 in Brussel en in 1939 in Parijs. Als de schilder thuis op het harmonium speelde leek zijn Intocht een altaarstuk, waaronder Ensor de mis celebreerde, ter ere van zichzelf. Zijn huis was dan een kerk, de salon was het heilige der heiligen en leek met hem al op te zweven, weg van de aarde, op weg naar de hemel. Behalve bij begrafenissen kwam hij nooit meer in de officiele kerk, maar hij was diep religieus en nog meer bevangen door mystiek.

Karel van de Woestijne beschreef Ensor als 'het wandelend standbeeld van Oostende', een treffende karakteristiek, want hij was lang niet voor iedereen aanspreekbaar. Hij kon zich hele perioden aan het openbare leven onttrekken en wenste thuis ook niet iedereen te ontvangen. Wie wel welkom was, zoals Van de Woestijne en Permeke, moest daar antichambreren, alvorens van de huisknecht Auguste naar boven te mogen gaan: 'De meester verwacht u.'

In de recente Ensor-film van Luc de Heusch zegt de cineast Henri Storck: 'Men betrad er een betoverd, een waarlijk behekst domein.'

En tenslotte wilde de halve wereld daar op bezoek komen. Met Albert Einstein onderhield Ensor zich in ieder geval wel.

Want intussen was ondanks alles de waardering voor Ensor gestegen en werd hij toch nog wereldberoemd. Koning Albert verleende hem in 1929 de titel 'baron', een late maar officiele genoegdoening voor het Brusselse leed. Aan de andere kant was die titel ook niet meer dan de bevestiging van hoe hij eruit zag: een heer van adellijke allure met gereserveerde bonhommie, grijs haar, altijd in zwart pak, kuierend met een stok in gezelschap van Auguste van Yper in de badplaats Oostende waar zich de koninklijke villa bevond en in de tuin van de Kursaal al bij zijn leven zijn borstbeeld stond.

Biografen en samenstellers van catalogi schrijven over de periode 1900-1949 telkens hetzelfde: naarmate zijn roem groter werd door de erkenning van zijn positie als grondlegger van diverse kunststromingen, nam zijn creativiteit en inspiratie af en herhaalde hij zichzelf steeds meer. Het lijkt mij dat hier een groot kunstenaar wordt gemeten en gekleineerd met een moedwillig verlengde maatlat.

De 231 werken op de Parijse tentoonstelling bewijzen in hun varieteit en hun samenhang juist het blijvende belang van Ensor voor de kunst van deze eeuw. Hij blijkt de voorloper van meer stromingen dan men denkt, als expressionisme en dadaisme. Ensor was met zijn linkse sympathieen al een politiek geengageerd kunstenaar. Ensor verzette zich al voor de oorlog tegen de aantasting van het Belgische duinlandschap door de oprukkende kustbebouwing. Zijn pantomime-ballet 'La Gamme d'amour' (1906-'11), waarvoor hij muziek, decors en kostuums ontwierp, maakte Ensor lang voor 'Triadisches Ballet' (1922) van Bauhaus-kunstenaar Oskar Schlemmer. Zijn huis zouden we nu 'een installatie' noemen. En hij leefde zijn leven als een kunstwerk, een doorlopende voorstelling waarin hijzelf de hoofdrol speelde.

Koning

De bewonderende kunsthistorici die Ensor nog steeds niet zonder reserve op zijn waarde kunnen schatten, lijken in dezelfde fout te vervallen als de Brusselaars die hem inhaalden of als de Oostendenaars die hem uitgeleide deden. Paul Haesaerts schreef al in 1949: 'Het zal niet de laastste keer zijn dat een rebel, een 'gek', een ongewenst individu de trots wordt van de natie die hem vervloekte. De goegemeente kent weldra alleen nog de indrukwekkende naam die vereerd moet worden en heeft niet het benul om de ware betekenis te achterhalen. De staat gebruikt zijn grootste kwajongens om er opgezette goden van te maken.' Haesaerts was er ook bij toen baron Ensor, bij leven uitgeroepen tot de 'prins der schilders', naar zijn laatste rustplaats werd gebracht op het kerkhof van Onze lieve vrouwe ter Duinen in Mariakerke, iets ten zuiden van Oostende. 'Hij werd als een koning begraven. De hele stad, het hele land begeleidde hem, droeg hem ten grave. En die laatste gang van Ensor door de straten van Oostende herinnerde aan de carnavaleske 'Intocht van Christus in Brussel', die hij meer dan een halve eeuw voordien had geschilderd. In het midden de vereerde relikwie - op het schilderij een kleine god-met-aureool op een ezel, nu des schilders eigen doodskist - en daar omheen deinend, als in de beste dagen van de Ensorieke absurditeit, het gewriemel van ministers in staatsiekledij, ambassadeurs met een steek op, prelaten in scharlaken toga met kanten superplie, besnorde generaals in vol ornaat, critici die op hun necrologie broedden, ernstige en wantrouwige gezagsdragers, scholieren - rijen dik, 'jodiumhoudende' vissers, stomverbaasde dagdieven en uit hun droefgeestigheid opgeschrikte vissersvrouwen. Dat alles begeleid door militaire fanfarecorpsen, klokgebeier dat galmt door de lucht, gloedvolle redevoeringen en vlaggen halfstok. Wat nog ontbrak om de maskerade compleet te maken was alleen een delegatie van dieren-muzikanten en de schijnheilige vissen, van de toeristen in badpak, de vrolijke demonen en de rouwdragende feeen en van de triomfantelijke en de verslagen skeletten.' Tentoonstelling: James Ensor. T/m 22 juli in het Petit Palais, Parijs. Geopend: di t/m zo 10-17.40 uur. Ensor Museum, Vlaanderenstraat 27, Oostende. Open: 1 juli t/m 30 sept.