Bureaucratie India frustreert buitenlandse investeerders

NEW DELHI, 11 mei - Oldelft, de Delftse fabrikant van optische apparatuur voor medische, industriele en militaire toepassingen, werd vier jaar geleden benaderd door Bharat Electronics Ltd. (BEL), een groot staatsconcern uit India, om een joint venture te vormen. Alle betrokkenen waren het erover eens dat zo'n gezamenlijke onderneming voordelen zou hebben. Maar na vele reisjes, discussies en ontwerpen is het project nog steeds niet van de grond gekomen. De dader ligt op het kerkhof van de Indiase bureaucratie.

Toen India voor zijn leger midden jaren tachtig op zoek was naar nachtkijker-technologie stuitte het op Oldelft. De Delftenaren bleken geinteresseerd in oprichting van een gezamenlijke onderneming in India en ze konden voldoen aan de voorwaarden die gesprekspartner BEL stelde: de te verkopen kennis zou actueel worden gehouden, Oldelft zou financieel in de joint venture moeten deelnemen, en het zou produktie-overschotten moeten afnemen. Oldelft stemde toe.

Voor de Indiers was het een voordelige transactie. Het land zou geavanceerde technologie krijgen en via BEL de leiding van het bedrijf hebben, waarbij aandeelhouder Oldelft borg zou staan voor de continuiteit. En het beste was nog dat de buitenlandse valuta om de geleverde kennis te betalen bijna onmiddellijk kon worden verkregen door nachtkijkers naar Nederland te exporteren.

Maar ondanks al die voordelen voor India zit er bitter weinig voortgang in de plannen. Ze wachten ergens in een la op goedkeuring van het ministerie van defensie, of op vergunning van Economische Zaken, of een juridisch oordeel van het departement voor de industrie, of een produktievergunning van de directeur-generaal van technische ontwikkeling.

Een afvaardiging van Oldelft reisde de afgelopen maand maar weer eens naar New Delhi om te praten met de regering en vertegenwoordigers van BEL. 'Iedereen stemt toe en toch komt er maar geen beweging in', zei Bart Petrini, Oldelfts adviseur in India. 'Als we nu geen doorbraak bereiken trekken we ons terug.' Zoals velen voor hen dreigen de Delftenaren slachtoffer te worden van de 'Licence-Permit-Quota Raj', het onwrikbare dogma van de Indiase bureaucratie dat de regering alles het best weet en dat zij daarom alles moet goedkeuren. Het systeem is het resultaat van goede bedoelingen die tot in het absurde worden doorgevoerd. Kort nadat India in 1947 onafhankelijk werd besloot het tot regulering van de industriele produktie en van de goederen- en kapitaalinvoer. Daardoor zou het land een industriele en een sociale economomie krijgen.

Door de beheersing van de invoer zou India zijn economie kunnen ontwikkelen zonder door multinationals onder de voet te worden gelopen. De regering zou met behulp van een vergunningstelsel investeringen naar gebieden 'van bijzonder belang' kunnen dirigeren en daarmee greep op de economie behouden.

Nu is duidelijk dat India een hoge prijs heeft betaald voor dit experiment: ondanks hoge investeringen in de industrie kan deze sector de landbouw niet ontlasten van de taak geld en werk te verschaffen aan de massa. De circa 130 miljard dollar die de afgelopen veertig jaar in staatsbedrijven is gestoken levert een rendement op van 1,5 procent. India heeft meer werkloze dan werkende industriearbeiders.

Het concept van een 'geleide economie', die reageert op marktsignalen na tussenkomst van de staat, heeft een bedrijfsleven geschapen dat afhankelijker is van gunsten en sancties van de regering dan van de markt. De mislukte poging om met succes te concurreren op de internationale markt is een direct resultaat.

De noodzaak voor de regering om zowel bedrijven als het enorme administratieve apparaat te financieren belast de kapitaalmarkt zwaar. Door de hoge financieringslasten van Indiase ondernemingen produceren zij tegen hoge kosten, ondanks goedkope grondstoffen en lage lonen.

Het experiment loopt dan ook ten einde. Het idee van een onafhankelijke economie spatte in de jaren tachtig al uiteen, toen India 5,6 miljard dollar moest lenen van het IMF om de vitale invoer van aardolie en kapitaalgoederen te kunnen voortzetten.

Omdat de inkomsten uit export de importuitgaven niet konden bijhouden, zag India zijn schuld de afgelopen jaren groeien tot, aldus het Instituut van Internationale Financien in Washington, 65,5 miljard dollar. Daarmee is India nummer vijf op de wereldranglijst van landen met grote schulden.

Een vergelijking met 'Latijns-Amerikaanse' schulden is evenwel misplaatst. Het enorme land kan zijn geldelijke verplichtingen nakomen door een sterke economische groei (de laatste jaren gemiddeld 5 procent) die niet op export is gericht. De verschuldigde rente bereikt nog maar net de kritische grens van 30 procent. Maar het is duidelijk dat het land niet veel langer de druk van een snelle industriele groei - het volgende Vijfjarenplan mikt op tien procent - kan combineren met een economisch beleid dat zich afwendt van kapitaal en technologie uit het buitenland en van marktontwikkelingen.

Op recente congressen in New Delhi maakten Europese en Amerikaanse ondernemers duidelijk dat India spoedig de steven dient te wenden. De voormalige Franse premier Raymond Barre toonde begrip voor de verplichtingen van een land waarin 350 miljoen mensen onder de armoedegrens leven, maar stelde dat India niet kan blijven doen alsof er nog een negentiende-eeuwse economie bestaat.

Hij had het geval van Oldelft kunnen noemen als voorbeeld van verkwanseling van internationale goodwill. Een andere congresganger deed dit voor hem: 'Is het niet tegendraads', zo zei hij, 'dat een land met een groeiende schuld bewust buitenlandse investeringen uitsluit?' De cijfers spreken voor zichzelf. Terwijl landjes als Maleisie en Thailand voor miljarden dollars aan buitenlandse investeringen binnenhalen, ontving India vorig jaar 180 miljoen. 'Wij hebben vorig jaar alleen al in China 320 miljoen dollar geinvesteerd', zegt Bruno Rubess van Volkswagen. 'Oosteuropese landen smeken ons om investeringen. En wat doet India? 'Het zal bekeken worden', is steeds het antwoord. Het schijnt niet in te zien dat investeringskapitaal een schaars goed is.' De regering van V. P. Singh heeft geen gemakkelijke taak. Voor een liberaler beleid tegenover buitenlandse investeringen moet zij niet alleen volk en parlement winnen, maar ook Janata Dal, zijn eigen partij. Daarin bestaat een sterke stroming die Gandhi's ideeen over dorpseconomie voorstaat, die overheidsinvesteringen in arbeidsintensieve bedrijven wil, en kleinschalige landbouwondernemingen. Die stroming wil de staat, aldus critici, handhaven als almachtige (en verspillende) economische bemiddelaar en het particulier initiatief de kop indrukken.

Dat het niet botert tussen de verschillende stromingen bleek vorige maand toen Singh het derde concept voor een nieuw Vijfjarenplan verwierp omdat het elementaire kwalitatieve doelen voor economische groei zou ontberen. De commissie (waarin socialisten van de oude stempel en navolgelingen van Gandhi) dreigde daarop met opstappen. De begeerde kapitaalsintensieve industrie opbouwen, zo sputterde een lid van de commissie, zou alleen mogelijk zijn als India aan 'buitenlandse mogendheden' zou worden verkocht.

Hoewel die verklaring niet typerend is, toont zij dat angst voor een 'vreemde mogendheid' in India niet verdwenen is. Het bureaucratische labyrint is niet louter de uitingsvorm van een economie in een ontwikkelingsland. Ongetwijfeld heeft het ook te maken met koloniale wonden die in veertig jaar niet zijn genezen.

    • Bernard Imhasly