Beter zien met een ooglapje; Expositie van tekeningen van Caspar David Friedrich

Caspar David Friedrich (1774-1840) is terecht vooral vanwege zijn schilderijen bekend is geworden hoewel hij in zijn jonge jaren alleen tekeningen en aquarellen maakte. In de Hamburgse Kunsthalle zijn tekeningen te zien maar in een nabijgelegen zaaltje ook enkele schilderijen. 'Het werk uit zijn laatste jaren is in tegenstelling tot het beginwerk buitengewoon overwogen en ver doorgewerkt.

Op de kleine tentoonstelling waarmee deze maand in Hamburg de 150ste sterfdag van Caspar David Friedrich wordt herdacht, zijn tussen 36 andere werken vier getekende zelfportretjes te zien. Het zijn kleine portretjes, zonder veel pretentie, maar met zijn vieren laten ze enkele karakteristieke eigenschappen zien van een schilder die inmiddels wordt beschouwd als een van de belangrijkste Duitse kunstenaars uit de geschiedenis.

Het eerste tekeningetje, dank zij de politieke ontspanning overgekomen uit het prentenkabinet in Dresden, hangt bij de ingang van de tentoonstelling. Het staat op de bovenste helft van een minuscuul schetsboekblaadje. Wat je ziet is een snel krabbeltje, een potloodtekeningetje van een 25-jarige Friedrich die aan een tafel zit. Op dit tekeningetje is kennelijk niets in scene gezet. Caspar David Friedrich is bezig met een tekening, de tekening. Voor hem ligt zijn schetsboek. In zijn ene hand een grafietstift, met de andere drukt hij het papier vlak waarop hij tekent.

Het is een levendig zelfportret, dit eerste, dat iemand laat zien die druk met zichzelf in de weer is. Om zijn mond speelt een geemotioneerde grijns, een huivering bijna, opgewekt door het kijken naar zijn eigen aanblik. Je ziet al dat hij dit niet lang zal volhouden. Zijn hoofd is enigszins afgewend van de spiegel. Een man die voor zichzelf op de vlucht is, die zichzelf niet recht in de ogen durft te kijken. Zo is het ook op het tweede tekeningetje dat twee jaar later is gedateerd, maar dan sterker. Friedrich is dan 27 jaar en draagt zijn dagelijkse tekentenue. Aan de knoop van zijn jasje bungelt een inktflesje. Op zijn hoofd staat, heel typerend, een muts waaraan met een gestrikte lap een oogklep is bevestigd.

Waarnemer

Ook dit zelfportret is veelzeggend voor wie de schilderijen van Friedrich kent. Deze keer laat Friedrich zichzelf zien als een gedreven waarnemer van de buitenwereld. Hij poseert als observator. Een van zijn ogen is door de oogklep afgeschermd. Maar het andere oog ziet des te beter. En hoe! De oogklep heeft tot gevolg dat de diepte verdwijnt uit wat hij ziet. Zijn blik wordt tweedimensionaal, het beeld verstijft. In plaats van de levendigheid ontstaat er een sterke concentratie op de compositie van zijn uitzicht, een grote aandacht voor de details. De 'vizierklep' stelt Friedrich in staat exact te zien hoe de voorwerpen en achtergronden in zijn gezichtsveld zich tot elkaar verhouden. Maar de wisselwerking tussen voorgrond en achtergrond die we gewoonlijk ondervinden, verdwijnt. Alles, of het nu dichtbij is of veraf, wordt door de afscherming van dat ene oog even scherp, en even belangrijk.

Het derde zelfportret is op de tentoonstelling alleen in kopie aanwezig. Het bevindt zich weliswaar in de collectie van het Hamburgse museum, maar het is volgens een toelichting zo kwetsbaar dat het niet te lang aan het daglicht blootgesteld mag worden. Ook deze tekening is uit 1802, als Friedrich 27 is. Weer zie je hem aan een tafel zitten, met een tekenblad voor zich. Maar nu is er voor het eerst iets in scene gezet. Friedrich kijkt niet naar zichzelf, in een spiegel, maar naar buiten. Hij heeft zijn potlood deze keer in de goede hand, de rechter, en deze hand steunt met potlood en al zijn hoofd. De jeugdige overmoed is nu helemaal verdwenen, Friedrich is weemoedig. Er is iets van contemplatie in het beeld gekomen. Friedrich beeldt zichzelf dan wel af, maar hij is nog slechts model. Hij is de man die naar buiten kijkt, naar de natuur, naar het licht.

Het laatste zelfportret kan al bijna niet meer de naam van zelfportret hebben. Het komt weer uit het Prentenkabinet in Dresden en hangt halverwege de eerste wand. Het is een minuscuul pentekeningetje dat zich onderaan een brief bevindt. Op dit vierde zelfportret is Friedrich nog iets verder van zijn eerste zelfportret verwijderd geraakt. Friedrich beeldt zichzelf nu helemaal van achteren af. Hij is een man die buiten op een rotsblok zit te tekenen. Hij is nu ook heel klein geworden, wat des te meer opvalt doordat hij is afgebeeld tegen een achtergrond van overweldigende rotspartijen. Opvallend is nu ook de uitgebalanceerde compositie. Hoe klein en pretentieloos het tekeningetje ook is, het heeft de vorm van een strenge, geometrische compositie. De rotspartij maakt onderdeel uit van een driehoek. Een overhangende schuine wand is de ene zijde van de driehoek, een bergmassief op de achtergrond de andere, en als basis dient een grasveldje op de voorgrond en een liggende boom.

Grote doeken

Met dit laatste zelfportret lijkt het karakter van Friedrich, zoals we dat van zijn bekendste schilderijen kennen, voltooid. Het is het zelfportret van de schilder Caspar David Friedrich. Friedrich was, toen hij het maakte, twaalf jaar ouder dan op het vorige zelfportret en hij had zich, zoals we uit zijn biografie weten, inmiddels bekwaamd in de grote doeken waardoor hij later bekend zou worden. Wat de tentoonstelling in Hamburg duidelijk maakt, is dat Caspar David Friedrich terecht vooral vanwege zijn schilderijen bekend is geworden. Niet ver van de tentoonstellingsruimte heeft het Hamburgse museum een zaaltje met schilderijen ingericht en die zijn beslist boeiender dan de tekeningen.

Toch zijn er een paar redenen om naar de tekeningen te gaan kijken. In de eerste plaats vanwege de vier zelfportretjes die ik hier beschreef. Maar ook omdat het teken- en aquarelwerk van Friedrich het enige is dat hij in zijn jonge jaren heeft gemaakt. Friedrich is vermoedelijk pas laat met het echte schilderen begonnen, op zijn 34ste. De tien jaar daarvoor, van 1798 tot 1807, heeft hij uitsluitend op papier gewerkt. In die jaren hield hij zich, zo is nu te zien, druk bezig met het oefenen van de vorm en de compositie en hij experimenteerde met zijn later zo bekend geworden techniek van donker en licht. Op de tentoonstelling is ook te zien dat Friedrich in die jaren de motieven verzamelde die hij later in zijn schilderijen zou gebruiken. Er hangt bijvoorbeeld een op zichzelf weinig interessante tekening van een boom met een ooievaarsnest die vele jaren later in een schilderij weer op zal duiken. Ten slotte is de tentoonstelling de moeite waard door enkele tekeningen en sepia's die Friedrich tegen het eind van zijn leven heeft gemaakt. In die laatste vijf jaar keerde hij weer tot het medium van zijn jonge jaren terug. Nu was het geen angst meer voor de techniek of onbekendheid, die hem van de olieverf afhield, maar lichamelijke zwakte. Volgens de bronnen kon Friedrich het niet meer opbrengen om nog te lang achtereen de stugge kwasten te hanteren en verkoos hij weer het potlood en de sepiafles. Uit zijn latere tijd zijn afbeeldingen bekend waarop je hem diep gebogen achter zijn ezel ziet zitten. Het werk uit die laatste jaren is in tegenstelling tot het beginwerk buitengewoon overwogen en ver doorgewerkt. Het zijn slechts enkele tekeningen maar ze vertonen alle kenmerken van Friedrichs bekendste schilderijen: de vreemde compositie, de strakke symmetrie en de overwogen diagonalen. Werk waarover een leven lang is nagedacht, over de indruk die een leeg landschap kan maken en het effect dat het licht van een opkomende maan hierop heeft. Wat mooi zijn die late zeegezichten, helemaal aan het eind van de tentoonstelling, voor de gelegenheid overgekomen uit de Hermitage in Leningrad: nachtelijke taferelen met een kust, en golven, en een lage maan daarboven. Caspar David Friedrich: Hohepunkte des zeichnerischen Werks. Hamburger Kunsthalle, tot 1 juli. Dinsdag t/m zondag 10-17 u.

    • Reinjan Mulder