Artsen achter enquete naar euthanasie

DEN HAAG, 11 mei - De artsenorganisatie KNMG heeft de bezwaren tegen de euthanasie-enquete laten varen. Minister Hirsch Ballin (justitie) schrijft de Tweede Kamer vanmiddag dat de KNMG 'in beginsel' haar leden zal adviseren mee te werken.

Uit de onderzoeksopdracht blijkt dat de enquete-interviews door artsen zelf zullen worden gehouden. Volgens de commissie-Remmelink, die het onderzoek coordineert, zijn juist zij in staat om in onduidelijke gevallen nadere vragen te stellen. Ook kunnen bij uitstek artsen vaststellen of in een bepaald geval al dan niet sprake was van euthanasie of doelbewuste levensbeeindiging. De commissie garandeert de Kamer dat de verzamelde gegevens 'op geen enkele manier door enige partij opeisbaar zullen zijn'. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door het Instituut maatschappelijke gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit in Rotterdam onder leiding van prof. dr. P. J. van der Maas. De KNMG heeft de verklaring afgegeven onder het voorbehoud dat ook het voltallige hoofdbestuur ermee instemt. Hirsch Ballin heeft de artsenorganisatie toegezegd met de procureurs-generaal een instructie op te stellen over de wijze van optreden bij de afhandeling van euthanasie-aangiften. Daarbij ligt de nadruk op het op 'discrete wijze van verzamelen van informatie' door de politie, niet alleen in contact met de familieleden maar ook ten opzichte van de betrokken arts. Het instituut van de Erasmus Universiteit krijgt de opdracht het 'handelen of nalaten door een arts dat tot doel heeft het levenseinde van een patient te bespoedigen, al dan niet op diens uitdrukkelijk verzoek' in kaart te brengen. Het onderzoek begint op 1 juni en moet op 1 mei 1991 klaar zijn. Voor 1 juni 1991 zal Hirsch Ballin meedelen welke conclusies het kabinet 'eventueel voorlopig' trekt uit het rapport.