Afscheidsfilm van Akira Kurosawa opent festival Cannes

CANNES, 11 mei - Wie 'snachts door de zijstraten van Cannes loopt, komt altijd wel een vette rat tegen. De tasjesdieven verplaatsen zich tegenwoordig per skateboard en de Zuidfranse horeca paart de dienstbaarheid van Moskou aan de prijzen van Manhattan. Toch blijft Cannes de ideale ambiance voor het mooiste filmfestival dat er bestaat, juist door de contrasten tussen glamour en miezerigheid, tussen film en realiteit, kunst en commercie.

Op de filmmarkt verhandelen pocherige kooplui celluloid en videocassettes per strekkende meter. In de dagelijks verschijnende blaadjes wordt over twee pagina's geadverteerd met films, die waarschijnlijk nooit gedraaid zullen worden. Een Pakistaans producent leurt met een curieuze actiefilm van 3,5 uur, die het in de islamitische wereld goed schijnt te doen. Geen wonder, want deschurk van internationale guerrilla's heet Salman Rushdie. Bewaakt door honderden gewapende agenten, houdt de schrijver zich, stevig drinkend, schuil op een Filippijns eiland. Een elite-eenheid van mujahadeen tracht de opdracht van de ajatollah te vervullen, maar Rushdie wordt dodelijk getroffen door een hemelse bliksemflits. De producent hoopt de film te verkopen aan de Engelse televisie, zegt hij.

De grootste aandacht gaat natuurlijk uit naar het hoofdprogramma van het 43-ste Festival International du Film. Op papier ziet dat er zeer indrukwekkend uit, met nieuwe films van onder meer de gebroeders Taviani en Godard, Tavernier en Loach, en buiten mededinging, Schrader en Fellini. Als favorieten voor de Gouden Palm gelden, louter op grond van aantrekkelijke geruchten, de Russisch/Italiaanse remake van de Sovjet-klassieker De Moeder door Gleb Panfilow en Wild at Heart, de nieuwste film van de Amerikaan David Lynch, die zich door kwaliteit en kijkdichtheid van zijn recente televisieserie Twin Peaks in ieders aandacht weet.

Het festival werd gisteren geopend met de wereldpremiere van Akira Kurosawa's Dreams, in aanwezigheid van de 80-jarige Japanse grootmeester. Na zijn te vroeg tot testament uitgeroepen Ran heeft Kurosawa, dank zij de financiele steun van zijn Amerikaanse bewonderaars Steven Spielberg en George Lucas toch nog een film kunnen voltooien, bestaande uit acht episodes. In elk van die dromen komt een ik-figuur voor en gezamenlijk beslaan ze Kurosawa's hele leven.

Akira Kurosawa is altijd beschouwd als de meest westerse van de grote Japanse regisseurs. In Dreams sluit hij echter stilistisch en inhoudelijk aan bij de Japanse tradities, waaronder die van de bovennatuurlijke (film)vertellingen. Als een rode draad loopt door alle verhalen de menselijke hoogmoed jegens de natuur. De jonge Akira wordt door geesten van omgehakte perzikbomen ter verantwoording geroepen over die schanddaad van zijn vader. In een andere episode heeft de jongen naar een processie van vossen gekeken, die niet voor zijn ogen bestemd was. Met verbluffende trucages smelt de Fuji-berg bloedrood weg door een atoomexplosie en post-nucleaire demonen kermen in een ander deel.

Kurosawa brengt een hommage aan zijn idool Vincent van Gogh (gespeeld door de Amerikaanse regisseur Martin Scorsese) en dwaalt als jonge schilder door Van Goghs landschappen: het bruggetje van Langlois en het korenveld met kraaien werden in Japan nagemaakt. De mooiste episode is de laatste, waarin een 103-jarige oude man (gespeeld door Ozu's favoriete acteur Chishu Ryu) in een idyllisch dorp met zes watermolens pleit voor respect voor de natuurlijke hulpbronnen. Akira Kurosawa's Dreams is niet alleen een groene-boodschapfilm, maar ook een onevenwichtig afscheid, met enkele schitterende passages. Bij het in ontvangst nemen van een speciale Oscar zei Kurosawa dat hij nog steeds heel weinig van film begrijpt: 'Elke film kent hoogstens twee of drie momenten echte cinema'.

Die paar momenten maken van Dreams inderdaad een bijzondere film.

Omgekeerd kan ook een enkele foute scene een film de das omdoen. De Poolse regisseur Andrej Wajda wilde al heel lang een hagiografie maken van Janusz Korcnak, de joodse arts en pedagoog, die 200 door hem in het getto van Warschau verzorgde weeskinderen in 1942 vrijwillig vergezelde naar de gaskamers. Het scenario van Agnieszka Holland en de vertolking van de hoofdrol door Wojtek Pszoniak laten geen twijfel bestaan dat Korcnak een heilige was, een en al opoffering en compromisloze moed. De film schuwt elke relativering, maar de vergelijkbare moed van de regisseur om zo simpel een verhaal te vertellen over goed en kwaad, dwingt ook bewondering af. De zwart/wit fotografie van Robby Muller draagt daar het nodige aan bij en Wajda laat niet toevallig in een scene passanten de hoed afnemen voor een filmcamera. Maar in de epiloog verpest Wajda alles door een gefingeerd slot; de laatste wagon naar Treblinka wordt losgekoppeld en in slow-motion huppelen Korcnak en zijn kinderen achter de zionistenvlag door een weiland de vrijheid tegemoet. Het zorgvuldige evenwicht tussen sentimentaliteit en de eenvoud van morele dillemma's in de trant van Kieslowski's Dekalog wordt door die kitsch-droom aan het eind ook voor de rest van de film verpest. De filmkunst verkeert in het post-moderne stadium, waarin de eigen geschiedenis voortdurend tot fictie verwerkt wordt. Cannes vertoont dit jaar onder meer een Spaanse speelfilm over John Ford in Ierland (Innisfree van Jose Luis Guerin) en een Joegoslavische film van Karpo Godin over Fritz Lang in Slovenie. Het bontst maakt regisseur Clint Eastwood het in White Hunter, Black Heart door zelf de hoofdrol te spelen van een door John Huston geinspireerde filmmaker in Oeganda. De gelijknamige roman van scenarist Peter Viertel, die Huston begeleidde bij de opnamen van The African Queen (1951) gaat vooral over de pre-produktie. Ook de film eindigt met het roepen van 'action!' bij take 1 van scene 1. Al die tijd hebben 'Katharine Hepburn' en 'Humphrey Bogart' moeten wachten in de jungle, totdat Huston een olifant geschoten had.

Eastwood, die in niets op Huston lijkt, maar wel zijn sigaren rookt en zijn merkwaardige dictie imiteert, speelt de twee jaar geleden gestorven regisseur als een Hemingway-achtige zonderling. Het moment oog in oog met de olifant is waarschijnlijk een soort 'duende', noodzakelijk voor de creatieve concentratie. De film White Hunter, Black Heart is vooral curieus door de identificatie van no nonsense-acteur Eastwood met de gecompliceerde, kwetsbare macho-intellectueel Huston. De film is rijk aan voor filmhistorici niet te versmaden anekdotiek - The African Queen was immers een van de eerste Hollywood-films die authenticiteit nastreefde en geheel op locatie in een ver continent opgenomen werd - maar of Eastwood de betekenis van die mijlpaal wilde beschrijven, durf ik te betwijfelen.