11 MEI: CHAOS EN PANIEK

Vijftig jaar geleden beleefde Nederland zijn tweede oorlogsdag. W. Woltz, redacteur van NRC Handelsblad, sprak met Nederlandse militairen uit die dagen over het verloop van de strijd en de twisten over de te volgen strategie. Voor luitenant-vlieger Karel Woudenberg, was de oorlog op 11 mei 1940 afgelopen, alleen wist hij het nog niet. Hij werd om ongeveer vijf uur wakker in een restaurant bij het strand van Oostvoorne. Daar had hij op de eerste oorlogsdag noodgedwongen zijn G1, het beste toestel van de Nederlandse luchtmacht, aan de grond gezet. De benzinetanks waren leeg, de mitrailleurmunitie verschoten, maar thuisbasis Waalhaven en andere vliegvelden waren bezet door de Duitsers. Woudenberg en twee andere vliegers die ook een noodlanding hadden gemaakt op het strand, onder wie de later bekende Gerben Sonderman, hadden echter goede hoop dat hun noodkreet naar Den Haag om een vrachtwagen met voorraden, succes zou hebben. Dan konden ze opstijgen van het harde deel van het strand om de Duitse luchtmacht aan te pakken. Het werd weer een prachtige dag en de vliegers luierden in de zon, maar de stemming was somber. Zij beseften dat de Nederlandse luchtmacht zware verliezen had geleden en niet veel meer te betekenen had.

Ook voor reserve-eerste-luitenant Jan Crabbendam was de nacht rustig geweest, na een hectische eerste oorlogsdag aan de dijk van het Hollands Diep. Zijn sectie zware mitrailleurs was aangevallen door Stuka duikbommenwerpers, de soldaten hadden voor het eerst parachutisten gezien. Grote transportvliegtuigen met zwarte kruisen op de vleugel vlogen langzaam en statig langs het Hollands Diep. Tientallen, honderden zwarte figuurtjes vielen uit de deuren en zweefden aan hun witte parachutes naar beneden. 'Mogen we daar op schieten, luit', vroegen de mitrailleurschutters nerveus, 'die moffen kunnen toch niets terugdoen in de lucht?' Crabbendam verzekerde dat het de bedoeling was om te schieten. En zo, schreef hij later, schoot het Nederlandse leger na honderd jaar oefenen met scherp op levende doelen.

In de stellingen rond de sluizen van Kornwerderzand, in de Afsluitdijk een paar kilometer van de Friese kust, blaakten de 225 verdedigers nog van zelfvertrouwen. Zij hadden daar reden voor. De commandant, kapitein C. F. J. Boers, was een ouderwetse, maar uitstekende officier. Kornwerderzand had twee taken: ten eerste moest een Duitse opmars richting Noord-Holland worden tegengehouden, ten tweede moesten de sluizen worden verdedigd om de waterstand rond de vesting Holland te kunnen regelen. De stelling was modern en goed bewapend: in totaal 17 kazematten van beton met drie meter dikke daken, 50 mm kanonnen, mitrailleurs, aggregaten en zelfs periscopen.

De reserve-luitenant A. J. Demesmaeker, nu 77, destijds 27 jaar en zakenman: 'Wij voelden ons ruimschoots opgewassen tegen de Duitsers. Tegen het eind van de eerste oorlogsdag trokken ongeorganiseerde groepen soldaten terug en zij vertelden onze mensen de wildste verhalen. Maar niemand liet zich in paniek brengen. Wij dachten: laten ze maar komen!' Jan van Duuren, hoofd van een lagere school in Vleuten en 28 jaar oud, was sergeant bij 8-RI, in een stelling aan de voet van de Grebbeberg. Maandenlang hadden hij en zijn mannen gegraven. Hij vertelt: 'Klaar voor de oorlog waren wij allerminst. Wij hadden geen telefoon en geen verrekijkers en in de hele mobilisatietijd hebben we niet een keer met scherp geoefend. Onze geweren waren van het model '95, dus van 1895, grendelgeweren met een magazijn met vijf patronen. Bij het uitbreken van de oorlog moest ik munitie ophalen in een villa. Toen de Duitsers met automatische geweren en vlammenwerpers kwamen, was dat een hele schok voor ons. 'Alles ging bij de voorbereiding heel traag door meningsverschillen van hogerhand. Pas half maart 1940 besliste de legerleiding dat de Grebbeberg hoofdverdedigingslinie moest worden: standhouden tot de laatste man en de laatste kogel! Toen kreeg men haast en kwamen er tachtig boeren om te graven; de soldaten vonden dat prima en gingen in de zon liggen.' De 'meningsverschillen van hogerhand' verlamden de voorbereidingen voor de oorlog inderdaad. Er waren persoonlijke fricties, zoals tussen de opperbevelhebber generaal Reijnders en de minister van defensie Dijxshoorn, en tussen Reijnders en de commandant van het veldleger, Van Voorst tot Voorst. Maar achter die animositeiten lagen ook diepe strategische meningsverschillen, die verband hielden met de langdurige Nederlandse traditie van neutraliteit.

De klassieke filosofie was, dat als ons land zou worden aangevallen door een grote mogendheid, andere Europese landen dat niet zouden toestaan en te hulp zouden komen. Nederland moest de strijd dus lang genoeg volhouden om die steun te kunnen genieten. De vesting Holland, achter de waterlinie, was het aangewezen terrein om te verdedigen.

Tegen het eind van de vorige eeuw echter kwamen modernere denkbeelden op. Ook Nederlandse generaals lazen studieuze werken over voorwaartse verdediging, bewegingsoorlog en de waarde van een verrassingsaanval. Zo ontstond het idee van een mobiel veldleger dat buiten de vesting Holland kon opereren. Dat zou de verdediging flexibeler maken, gaf de vesting meer tijd om zich klaar te maken, en dat veldleger kon de aansluiting tot stand brengen met bondgenoten. Voorwaartse verdediging dus. Hoewel de neutraliteit verbood namen van landen te noemen, wist iedereen wat er bedoeld werd: Duitsland als mogelijke agressor, Frankrijk en Engeland als bondgenoten.

Er kwam een veldleger, in 1907. Maar generaal Reijnders, sinds 1934 chef van de generale staf en in 1939 opperbevelhebber, was meer een man van de statische verdediging in forten en loopgraven. Hij gaf het veldleger tot taak de Gelderse Vallei en de Grebbelinie uit vaste posities te verdedigen met de mogelijkheid om terug te vallen op de vesting Holland. Luitenant-generaal J. J. G. baron Van Voorst tot Voorst, commandant veldleger, verzette zich hevig. Hij geloofde niet in een terugtocht gezien de Duitse overmacht aan tanks en vliegtuigen: het trage Nederlandse veldleger zou vernietigd worden. Maar zelfs als die operatie lukte zou het veldleger achter de Waterlinie opgesloten zitten en geen uitvallen meer kunnen doen. Hij wilde daarom de Grebbelinie als hoofdweerstandslijn inrichten. Dan zou de Veluwe een goed slagveld zijn, en als de Duitsers dan naar het zuiden afbogen kon hij hen achtervolgen.

Over de defensie in het zuiden hadden de generaals echter ook grote meningsverschillen. Reijnders wilde Nederland ver naar het oosten verdedigen, bij de Peel, om te voorkomen dat de Duitsers door zouden trekken naar Belgie en Frankrijk. Achter die Peel-Raamstelling kon men dan een paar dagen wachten op hulp van de Fransen. Maar als de Duitsers doorstootten, zouden de troepen tijdig naar de vesting Holland moeten terugtrekken. Zijn argumenten waren overwegend politiek: als Nederland de Duitsers te gemakkelijk doorliet, zou de positie van ons land internationaal zwakker worden na een Duitse nederlaag.

Van Voorst tot Voorst geloofde ook hier niet in terugtrekken. Hijtaxeerde dat de strijdkrachten te ongeoefend en te weinig beweeglijk waren voor een ordelijke terugtocht. De Duitsers konden bovendien gemakkelijk om de Peel-Raamstelling heentrekken omdat de Belgen daar slechts een zwakke defensie hadden. Zij hadden hun hoofdweerstandslijn achter het Albertkanaal: er was dus geen goede aansluiting.

Een pikante complicatie was, dat het neutrale Nederland niet officieel met Belgen, Fransen en Britten over een coordinatie kon spreken. Pas in november 1939 hoorde de Nederlandse militaire attache in Parijs en Brussel, overste Van Voorst Evekind, de plannen van de zuiderburen. Van vitaal belang was dat de Fransen wel door Belgie wilden oprukken langs de kust naar de vesting Holland, maar niet naar de Peel. Van Voorst tot Voorst zag de Peel-Raamstelling dus in de lucht hangen en stelde voor om dichter naar de kust langs de lijn Den Bosch-Tilburg-Goirle te vechten.

Meer helderheid kwam toen generaal Reijnders eind januari 1940 ontslag vroeg en dat op 6 februari kreeg. Zijn opvolger werd H. G. Winkelman, een gepensioneerd generaal die bij Philips werkte, een reservist dus. Winkelman hakte de knoop door: de Grebbelinie werd hoofdverdigingslijn. Ook hij geloofde niet in een terugval op de vesting Holland, maar evenmin achtte hij het veldleger in staat tot mobiele offensieve acties. De defensie zou dus statisch worden: laatste man, laatste patroon. Omdat de Belgen hun verdediging niet naar voren schoven, werd de Peel-Raamstelling slechts licht verdedigd met 15 bataljons. De hoofdverdedigingslijn werd: Gelderse Vallei, Grebbelinie, Waal-Maas-Groep Merwede. In het noorden zou de Afsluitdijk verdedigd moeten worden.

De langdurige spanningen in de top hadden wel geleid tot demoralisering en tot vertraging van de voorbereidingen. Zoals de sergeant Van Duuren in zijn stelling aan de voet van de Grebbeberg merkte, kwamen er pas twee maanden voor het uitbreken van de oorlog duidelijke orders. Het was toen al te laat om de nodige inundaties te organiseren, maar Van Duuren en zijn mensen merkten wel dat hun eigen stellingen die winter vaak vol water stroomden.

Op het strand van Oostvoorne vertelden Woudenberg en zijn collega-piloten elkaar wat zij op de eerste oorlogsdag, 10 mei, haddden meegemaakt. Een halve eeuw later herinnert hij zich nog veel details. 'Ik werd om ongeveer vier uur wakker door een hels lawaai: Waalhaven werd beschoten en gebombardeerd. Wij sliepen toen in de officiersmess, want we moesten vaak opstijgen om de neutraliteit te handhaven. De Duitsers vlogen over en de Engelsen gooiden wel eens strooibiljetten uit, we hebben zelfs een Engels vliegtuig neergeschoten. 'Ik rende naar mijn vliegtuig, een G1, die een eind verderop stond. Wij hadden de toestellen verspreid opgesteld, en met reden. Op vliegveld Bergen in Noord-Holland kon dat niet omdat het terrein te drassig was. Alle vliegtuigen stonden op een kluitje en zijn op de grond vernield. 'Ik gaf de mecanicien opdracht de twee motoren aan te zwengelen, en gelukkig kwam ook Paul, mijn luchtschutter, die in de staartkoepel moest. Ik taxiede door de rook over de grasbaan en zag dat er vliegtuigen gebombardeerd werden. Boven was er geen Nederlander te zien, behalve een G1 die met de wielen uit vloog, kennelijk was zijn hydraulische systeem kapot. Maar het barstte er van de Duitsers. Heinkels, Messerschmidts, Junkers transporttoestellen; het zag er zwart en ze vlogen allemaal in groepjes. Ik vloog in en uit een lichte wolkenlaag, tot ik boven Waalhaven een formatie van drie Junker 52's zag. 'Toen ik dichterbij kwam schoten parachutisten uit de raampjes op mij, maar ik vuurde terug met mijn acht mitrailleurs. De rechter motor van het toestel begon te branden, er kwam een kleine ontploffing en het vliegtuig zeilde naar beneden. 'Op het moment dat ik wegdraaide werd ik zelf aangevallen door een Messerschmidt, die kennelijk boven de Junkers had gehangen. Dat was hun tactiek. Hij schoot met twee kanonnen en ik met mijn mitrailleurs; die Duitser was sneller maar mijn G1 was iets wendbaarder. Ten slotte kon ik wegkomen door een Immelmann te draaien. Dan trek je de neus scherp op, wentelt het vliegtuig om de as en dan vlieg je weer gewoon, maar in tegengestelde richting. 'Ik weet niet of wij hem hebben geraakt of niet. Maar de munitie en de benzine raakten op, dus wij moesten naar de grond. Mijn luchtschutter Paul kreeg via zijn seinsleutel geen contact met Soesterberg, dus vloog ik naar Noordwijkerhout, vervolgens naar Ypenburg, en toen naar Waalhaven. Ik kon nergens landen, overal zaten Duitsers en daarom koerste ik naar het zuiden. Op het strand van Oostvoorne stonden twee Nederlandse vliegtuigen, dus ik dacht, nou, dat is kennelijk de bedoeling en ik landde op het donkere, harde deel bij het water. Zo goed als het ging hebben wij de vliegtuigen gecamoufleerd met zeildoek van strandtenten die daar stonden. 'Dat hielp weinig, want de volgende dag schoot een Duitse jager onze 3 G1's kapot. Wij zagen het gebeuren van de boulevard, binnen twee minuten was het gebeurd. Later kwam er wel een vrachtwagen met munitie en benzine, maar die kon zo weer terug.' In het algemeen hoofdkwartier in Den Haag was de stemming nerveus, vooral door paniekberichten over verraders en als verpleegsters verklede parachutisten, maar ook optimistisch. Nederlandse troepen hadden de vliegvelden Ockenburg, Valkenburg en Ypenburg heroverd. De Duitsers boden nog hevig verzet, maar zij konden geen versterkingen uit de lucht meer krijgen en dus was de verrassingsaanval op de residentie voorlopig mislukt.

De toestand bij Rotterdam daarentegen was zorgelijk. Generaal Winkelman hoorde dat op Waalhaven 6.000 Duitsers aan de grond waren gezet. Parachutisten en luchtlandingstroepen hadden de Moerdijkbruggen en de Maasbruggen veroverd, en die waren vitaal voor de defensie van de vesting Holland. Maar de lichte divisie zou een tegenaanval doen en belangrijker: er was hulp van de geallieerden op komst. Franse eenheden waren onderweg van Vlaanderen naar Brabant, om daar samen met de teruggetrokken Peeldivisie de Duitsers tegen te houden. Generaal Winkelman verzocht daarnaast de Britse regering om ten minste twee divisies over te brengen naar Zeeland of Brabant en om Waalhaven te bombarderen. Dat laatste gebeurde enkele malen, zonder veel effect.

Luitenant Crabbendam sliep die eerste oorlogsnacht bij de Moerdijk met zijn mitrailleursectie in een villa. Zijn bataljon was op 10 mei in de avond vertrokken naar het Eiland van Dordt om een tegenaanval te doen. 'Tegen de ochtend hoorden wij hevig mitrailleurgeratel en geweervuur uit de richting Dordrecht. Ik besloot om met een sergeant en een soldaat op de fiets op verkenning te gaan. Die twee heb ik achtergelaten in de verlaten houthaven, en ten slotte trof ik de restanten van het bataljon in een boscomplex ten zuiden van Dordrecht. Het was chaos en paniek, er waren doden en gewonden. De Duitsers hadden in de ochtendschemer aangevallen en stuurden later Nederlandse gevangenen met witte vlaggetjes naar voren. De bataljonscommandant, majoor Ravelli, en enkele officieren liepen er naar toe en werden toen onverwacht gevangen genomen. Wij vonden dat een schandalige streek. Een luitenant was door eigen vuur gedood. Onze troepen waren voorbereid op een stellingenoorlog, niet op verrassingsgevechten met kleine groepjes parachutisten.' Op de Grebbeberg verliep ook de tweede dag wild, onoverzichtelijk, maar nog niet chaotisch. De Duitsers veroverden de voorpostenlinies op twee kilometer in het voorterrein. Dat was op de Grebberg wel te horen, maar niet te zien want in het vredelievende Nederland ging het te ver om bomen en huizen met de grond gelijk te maken. Sergeant Van Duuren, hoofd ener lagere school, en zijn mitrailleursectie zaten in hun aarden stellingen onder de berg. De Duitsers gaven af en toe artillerievuur af, dat tegen de avond intensiever werd. Om negen uur ging de Grebbebrug met een donderende knal de lucht in, opgeblazen door de genie. De stemming onder de verdedigers was gespannen, vooral door de paniekverhalen.

Van Duuren: 'De mannen vroegen mij ook of wij niet terug moesten trekken, maar ik zei nee, standhouden, wij hebben geen orders. Op 12 mei, eerste Pinksterdag, hebben wij ijzeren platen waarop de zandauto's reden, op de onderkomens gelegd want de Duitse granaten gingen dwars door de aarden bedekking heen. De artilleriebeschieting werd een waar trommelvuur. Tegen drie uur werd de beschieting naar achteren verlegd en begon de Duitse stormaanval. Op bevel van de sectiecommandant gingen wij in de schuttersputten. Op 75 meter van ons vandaan stond een mitrailleur in een pantserkoepel en die kreeg het zwaar te verduren, maar hij bleef schieten. Fantastisch! 'Het gevaar van onze positie was dat wij rechts van de 12 meter hoge Grebbedijk zaten, en de eerste sectie links. Wij konden elkaar dus niet dekken, want wij hadden geen mortieren. Wat wij vreesden gebeurde: op zeker moment zwaaiden zij met de witte vlag en gaven zich over. Onze flank was open. 'Ik kreeg een klap tegen mijn helm, en ik zag dat de ring van mijn bajonet kapotgeschoten was. De kogel was afgeketst op mijn geweer en had mijn hoofd net gemist. Niet lang daarna dook een soldaat naast mij weg. Ik vond dat vreemd, boog mij naar hem over en zag bloed op zijn gezicht en een gekruld gat in zijn helm. Hij was dood. Als de eerste valt ben je verpletterd. Bij de tweede word je woedend, en bij de derde raak je door het dolle heen, je wilt zo op die moffen af stormen en ze kapot maken. 'De vijand was doorgebroken en zat overal om ons heen, ook van achteren en daar had niemand op gerekend. De luitenant stuurde ons naar een mitrailleuronderkomen, hij zou de achterkant dekken. We zagen steeds nieuwe Duitsers opduiken en schoten wat wij konden. Maar op een zeker moment wordt de houten deur van het onderkomen opengetrapt en voordat ik weet wat er gebeurt krijg ik een stomp in mijn rug. Ik draai me om en zie een Duitse hospitaalsoldaat voor me staan met een pistool. Hij neemt mij gevangen - een hospitaalsoldaat! 'De Duitser droeg mij op om met drie anderen een zwaar gewonde Nederlander weg te dragen. De kogels floten ons om de oren, en verderop zag ik dat de oprukkende Duitsers Nederlandse krijgsgevangenen als dekking gebruikten. De jongens moesten op een dammetje staan en toen schoten de aanvallers tussen hun benen door. Achter die levende muur sprongen ze dan gauw naar een ander slootje, de helden. Een Duitse officier trok mij naar beneden en vroeg waar de Engelsen zaten. Ik was daar zeer verbaasd over.' Op hoger niveau was de chaos vrijwel compleet. De commandant van het tweede legerkorps, generaal-majoor J. Harberts, had zich de ochtend van de grote aanval op de Grebbelinie lang bezig gehouden met het instellen van een krijgsraad te velde om een sergeant Meijer die zonder orders was teruggetrokken naar Nieuwersluis met een stuk pantserafweergeschut, ter dood te veroordelen. Want dat was de opdracht aan de krijgsraad. Verder liep Harberts tierend rond, hij gilde en schreeuwde over 'lafaards die zich er door een troepje kwajongens hadden laten uitgooien'.

De generaal onderschatte consequent de sterkte van de aanvallende Duitsers en hij beval aan een stuk door 'krachtige tegenaanvallen' en gaf opdrachten om de Duitsers 'met de blanke wapens' terug te drijven.

Er werden enkele tegenaanvallen gedaan, maar die liepen op niets uit door slechte coordinatie, het ontbreken van goede kaarten, vuur van eigen troepen en simpelweg omdat de Nederlandse troepen te gedemoraliseerd, te slecht geoefend en te slecht bewapend waren. Vooral wanneer de Duitse Stuka's met hun gierende sirenes neerdoken, sloeg de paniek toe.

Beloofde Engelse luchtsteun kwam niet. Een lichtpunt was, dat op 13 mei de Nederlandse luchtmacht op miraculeuze wijze nog twee aanvallen deed op de Duitse linies, beide keren met negen Fokkertoestellen. Dat vroeg om doodsverachting van de piloten, want de vier verkenners CX en vijf jagers van het type-XXI waren sterk verouderd, zeker in verhouding tot de Duitse jagers. Zij gooiden bij de tweede aanval 32 bommen van 50 kilo af en mitrailleerden de tegenstander.

Tegen de avond van de 13de mei was de Grebbelinie gevallen, en het veldleger was in feite verslagen. Overal vluchtten groepen doodvermoeide soldaten in paniek of doffe berusting. Hier en daar probeerden officieren hen tegen te houden, maar zoals kolonel Van Loon later verklaarde: 'Als ik hun de revolver op de borst had gezet om hen neer te schieten, hadden zij dat ook goed gevonden'. Het Nederlandse leger als organisatie bleek weinig waard te zijn. Waar de Duitsers tegenstand ontmoetten, was die te danken aan de moed en koppigheid van kleine groepen of individuen. Dat gold in Rotterdam, de Peel, de Moerdijk, bij de vliegvelden en in Kornwerderzand. Dat de Duitsers ook vaak chaotisch opereerden en voor een deel oude wapens hadden, speelde daar geen rol. Dat was wel het geval in het noorden, een zijtoneel voor de Duitsers. Daar vielen zij aan met fietsers en ruiters te paard.

Kornwerderzand. De 225 verdedigers zaten nog veilig in hun betonnen kazematten. Luitenant Demesmaeker: 'Wij waren vol zelfvertrouwen, ondanks het feit dat de terugtrekkende troepen paniekverhalen vertelden. Maar wij wisten niet wat er in Friesland gebeurde, ons enige contact was met het postkantoor in Harlingen en daar vertelde men alleen dat het goed mis was. De stemming werd nog beter toen wij op 12 mei een afdeling luchtafweer kregen uit Den Helder. Wij camoufleerden die mitrailleurs direct en konden zo bij verrassing wat Duitse vliegtuigen neerschieten. 'In de loop van de middag kwamen wij onder artillerievuur, maar dat had weinig effect op onze kazematten. Om een uur of zes zag kapitein Boers door zijn periscoop beweging aan de kop van de Afsluitdijk. Hij liet de Duitse stoottroepen, een man of tachtig, oprukken tot ongeveer 800 meter en gaf bevel te vuren, met brisantgranaten. De Duitsers hadden geen schijn van kans. Ze trokken snel terug of lagen vastgepind en konden pas terug toen het donker werd. 'De volgende ochtend stuurde Den Helder de kanonneerboot Johan Maurits van Nassau naar de Afsluitdijk. Toen de Duitsers weer een artilleriebeschieting begonnen, werden zij onmiddellijk zelf onder vuur genomen, tot hun grote verrassing zoals ik later hoorde, zij wisten maar niet waar de granaten vandaan kwamen. Wij zagen de inslagen en konden per telefoon via Den Helder correcties doorgeven. De beschieting was kennelijk effectief, want wij hebben verder geen last meer gehad van de Duitsers. 'Wel werden wij nog gebombardeerd, maar Den Helder zei dat er een vrachtauto met sneldrogende cement zou worden gestuurd om de schade te herstellen. We dachten: dat gaat goed, zo. De stemming was prima, tot een ordonnans kwam met het bericht van de capitulatie. Toen ik het een vaandrig vertelde pakte die zijn pistool en zette het in mijn buik. Het kan niet, zei hij, dat is verraad. Er waren soldaten die huilden van woede, anderen schreeuwden, maar niemand begreep het: wij hadden eigenlijk geen Duitser gezien en wij voelden ons sterk. 'De kapitein belde iemand in het hoofdkwartier in Den Helder wiens stem hij kende, en die bevestigde de capitulatie. Het was waar.'

Maandag in deze serie: Het oorlogsnieuws bereikt Batavia.