Wilhelmina's fortuin in twee vluchtkoffers

De tiende mei is om negen uur 's ochtends nog een vrijdag als elke andere: op de terrassen in de binnenstad van Den Haag zijn de tafels al vroeg in gereedheid gebracht omdat het uitbundige voorjaar weer goede zaken belooft. Niets wijst erop dat de mensen op straat door de luchtaanvallen op het vliegveld Waalhaven uit hun doen zijn. Tegen tienen zijn de terrassen bijna overal bezet, wie later komt weet slechts met moeite een stoel te veroveren. Met een prachtige Pinksteren in het vooruitzicht weigert het gewone leven zich aan de met het uur dichterbij komende oorlog te storen. Maar in de onmiddellijke omgeving van het Binnenhof worden de eerste symptomen van een veranderende werkelijkheid gesignaleerd.

Uit zijn kamer in het ministerie van oorlog aan het Plein neemt de kapitein H. J. Kruls rook waar uit de schoorstenen van het ministerie van buitenlandse zaken aan de overkant. Men is daar begonnen archieven te verbranden, waaruit hij opmaakt hoe laat het is. (Het zal een nutteloze veiligheidsmaatregel blijken te zijn, want er is vergeten tegelijkertijd de brand te steken in de kopieen van de diplomatieke documenten die een paar gebouwen verderop in het archief van het Kabinet der Koningin worden bewaard). Even later hoort Kruis dat 'Sas heeft gebeld'. De laatste strohalm waaraan de Nederlandse neutraliteit zich heeft vastgehouden, is afgeknapt. De Nederlandse militaire attache in Berlijn, die al zo vaak op grond van geheime inlichtingen uit de Duitse Generale Staf de Duitse - telkens weer uitgestelde - inval heeft aangekondigd, heeft het uur waarop de Duitse troepen Nederland binnenvallen precies aangegeven.

Kruls vervult nog maar een bijrol op het militaire toneel, hij is slechts een subaltern officier, maar we zullen hem zo meteen in de rol van chaperon van de koninklijke waardigheid terugzien (en hem vijf jaar later als generaal tegenkomen, nadat hij intussen is benoemd tot chef van de Generale Staf in het naoorlogse Nederland). Aan de voorzijde van het Binnenhof eisen andere gebeurtenissen op deze tiende mei eerst onze aandacht op, omdat de werkelijkheid van de oorlog daar voor de ontstelde ogen van de zich op de terrassen verpozende menigte het onaantastbare voorjaar is binnengedrongen.

Oorlogsmisdadigers

Plotseling zijn Duitse bommenwerpers boven Den Haag verschenen die het ondubbelzinnig op het regeringscentrum hebben gemunt. Onder de wandelaars die tijdens het luchtalarm een goed heenkomen proberen te zoeken, bevinden zich tal van Tweede-Kamerleden die op weg zijn naar het Binnenhof. De anders zo prozaische parlementaire agenda lijkt nog speciaal voor deze dag te zijn aangepast (wat louter toeval is), want de Kamer zit juist midden in de behandeling van wetgeving over optreden tegen eventuele oorlogsmisdadigers.

De fractievoorzitter van de SDAP in de Tweede Kamer, W. Drees, die naar gewoonte elke dag te voet van zijn huis in de Van Bleiswijkstraat naar het Binnenhof gaat, moet een huis binnenvluchten om het vege lijf te redden. Daar schuilt hij enige tijd met de vrouw des huizes onder een tafel (naar hij later meedeelt: een zware eikenhouten tafel, bedekt met dikke dekens en een matras). De kust blijft niet lang veilig want als Drees bij de Hofvijver door de poort naar het Binnenhof wil gaan, moet hij zich opnieuw op de grond werpen. Samen met Kamervoorzitter mr. Van Schaik, die er tegelijkertijd is aangekomen, zoekt hij dekking in de poort. Als daarop een bom was gevallen zou die weinig beschutting hebben geboden - en van de Stadhouderspoort een Martelaarspoort hebben gemaakt. (In 1787 was de Stadhouderspoort het concentratiepunt van opstootjes van orangisten, die wraak zochten omdat de Hoogmogende leden van de Staten en van de Staten-Generaal, die tot dan toe deze toegang niet hadden mogen gebruiken, de poort 'democratiseerden'). In de vergaderzaal treffen de Kamerleden een lege regeringstafel aan. De regering is niet verschenen, ondanks het telefonisch beroep dat Van Schaik op minister-president De Geer heeft gedaan om in de Kamer een verklaring af te leggen namens de regering. Het verzoek wordt herhaald namens het seniorenconvent (de commissie van fractievoorzitters), maar De Geer is niet te bewegen om te komen.

In alle fracties wordt zijn afwezigheid als een pijnlijk bewijs van onmacht opgevat, en des te pijnlijker omdat iedereen beseft dat het de laatste vergadering (zonder quorum) van de Tweede Kamer in vredestijd is geweest. Volgens latere verklaringen van ambtgenoten is De Geer, die enkele maanden daarna door de naar Engeland uitgeweken regering tot aftreden zal worden gedwongen, al een en al wrak - totaal van de kaart, tegen de spanningen niet opgewassen en niet meer tot regeren in staat.

Evacuatie

In de ministerraad, die veiligheidshalve is verplaatst naar het ministerie van economische zaken aan de Bezuidenhoutseweg (het enige ministerie met een schuilkelder) dringt tijdens de pinksterdagen het besef door dat het leger nog maar enkele dagen tegen de Duitse overmacht kan stand houden. In de schuilkelder weet iedereen dat de positie van de regering eigenlijk al onhoudbaar is geworden.

In de vroege ochtend van de tweede pinksterdag valt de beslissing de zetel van de regering naar veiliger gebied te verplaatsen. De opties zijn: Zeeuws-Vlaanderen of Engeland. De koningin gaat vooruit, zij scheept zich die maandagochtend in Hoek van Holland in op een Britse destroyer, die haar naar Engeland brengt. Prinses Juliana, prins Bernhard en de prinsessen vertrekken op gelijke wijze uit IJmuiden, met dezelfde bestemming.

Het vertrek van de ministers, die in een gesloten formatie met hun dienstauto'svan de Bezuidenhoutseweg naar Hoek van Holland worden gereden, heeft de komische aankleding van een aflevering van Dad's Army. Het verbaasde publiek, dat nog steeds niet is doordrongen van de onomkeerbaarheid der gebeurtenissen en weer monter van de terrassen bezit heeft genomen, ziet de stoet met takken gecamoufleerde ministeriele auto's langskomen, die een door het commando Den Haag voorgeschreven route volgt.

Kruls heeft in zijn memoires de route minutieus genoteerd: Bezuidenhoutseweg, Herengracht, Plein, voor de Witte langs, waar de leden (grotendeels ambtenaren, die niet meer dan een vermoeden hebben hun ministers voorlopig niet meer te zullen zien) hun koffie op het terras drinken. Het scenario voorziet in een bizarre ironie: de route gaat niet door de Lange Houtstraat en de Vijverberg door de binnenstad, maar over het Binnenhof! Uitgerekend over het Binnenhof, waar de minister-president drie dagen eerder geweigerd heeft te verschijnen om temidden van de volksvertegenwoordiging een protest tegen de schending van de Nederlandse soevereiniteit te laten horen. Of is de ministeriele optocht die nu door het Binnenhof rijdt misschien toch een laatste eerbetoon aan de Tweede Kamer - een symbolisch afscheid dan wel een demonstratie van late inkeer, bij wijze van penitentie? De colonne vervolgt haar weg over het Buitenhof, langs het Westeinde en de Loosduinseweg, richting Loosduinen.

Koffers

Het beraad dat de ministers in een bomvrij vertrek in het pantserfort te Hoek van Holland over hun geografische bestemming voeren (de laatste vergadering van de ministerraad in Nederland) neemt meer tijd in beslag dan goed is voor hun veiligheid, maar de verdeeldheid is te groot voor een snelle beslissing. Sommige ministers zijn er mentaal nauwelijks beter aan toe dan De Geer en spelen 'nog steeds met de gedachte van een capitulatie der regering' (aldus Henri van Vredenburch in zijn memoires Den Haag antwoordt niet, Leiden, 1985, blz. 98). Tegen het einde van de middag ontstaat overeenstemming: Londen. Het gezelschap begeeft zich aan boord van de Windsor, een oude, licht bewapende Britse torpedobootjager uit de Eerste Wereldoorlog.

Behalve het kostbare gezelschap (waaronder een aantal ministers en door vermoeidheid en door de aangrijpende gebeurtenissen zichtbaar in de war is) brengt de Windsor ook kostbare bagage naar Engeland. Kort voor het vertrek worden twee koffers op het achterdek geplaatst en aan de hoede van de marine-adjudant van de minister van defensie Post Uiterweer en de meereizende diplomaat Van Vredenburch toevertrouwd. In de koffers bevindt zich, naar de heren wordt meegedeeld, 'het fortuin van de koningin'. De toezichthouders hebben de instructie gekregen de koffers geen ogenblik uit het oog te verliezen en 'brengen er dus de nacht op door'. Het fortuin is, naar later uit Duitse bronnen zal blijken, niet het gehele fortuin van de koningin, maar ongeveer een vijfde deel. Dr. L. de Jong vermeldt in het vijfde deel (eerste helft) van zijn Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog een voetnoot waaruit een en ander kan worden gereconstrueerd.

De Duitsers hadden onmiddellijk het oog op het ongedeelde vermogen van de koninklijke familie laten vallen, maar door de laksheid van de bureaucratie in Berlijn liepen ze een deel ervan mis. Te laat verleende Hitler de door Seyss-Inquart aangevraagde machtiging het vermogen van de koninklijke familie in beslag te nemen.

Volgens inlichtingen die Bene, Ribbentrops vertegenwoordiger in Den Haag, wist te verkrijgen, had het vermogen van de koningin in mei '40 ruim 16 miljoen gulden bedragen; daarvan had Wilhelmina, aldus Bene, bij haar vertrek naar Engeland circa 3 miljoen aan effecten kunnen meenemen. Die drie miljoen was uit handen van de Duitsers gehouden dank zij dezelfde handelingssnelheid waarmee op vrijwel hetzelfde ogenblik een groot deel van de goudvoorraad van de Nederlandsche Bank het land uit was gesmokkeld, waardoor de Nederlandse regering als een van de weinige regeringen in ballingschap zich vijf jaar lang financieel wist te bedruipen.

Van Vredenburch en Uiterweer zeulden de hun toevertrouwde koffers aan de overkant van de Noordzee in Tilbury een trein in om ze na aankomst in Londen met een 'zucht van verlichting op het gezantschap te deponeren'. Waar, aldus Van Vredenburch, niemand veel interesse voor deze bagage toonde.