Voor stadsratten en dagdromers

Dali, Salvador. Kant, Immanuel. Palladio, Andrea. Hamnett, Katherine. Zonder aanzien des persoons zijn zij, bien etonnes de se trouver ensemble, door Rick Poynor bij elkaar gebracht in het register van een monografie over Nigel Coates. Deze raadselachtige Engelsman (40) is tekenaar, meubelontwerper, (interieur)architect, bedenker van onontwarbare stedelijke utopieen, arrive en angry young man tegelijk. Coates' werk, maar ook zijn loopbaan is zeer van deze tijd. In 1980 werd hij, zonder nog iets te hebben gebouwd, docent aan de Architectural Association (AA) in Londen. Vier jaar later stond er een Japanse zakenman bij hem op de stoep die in een blad foto's van Coates' door hem zelf ingerichte flat had gezien; vervolgens gingen als in een sprookje alle deuren in Tokio voor hem open. Nu, aan het einde van het decennium, leidt Coates samen met zijn zakelijke partner Doug Branson een bureau van twintig man en heeft hij een reeks zeer opvallende projecten, vooral in Japan, op zijn naam staan.

Samen met een aantal AA-studenten richtte dit enfant terrible in 1983 het 'bureau' Narrative Architecture Today (NATO) op. (Oftewel 'Nigel and the others', volgens de sceptici die hierin een strak geleide Gideonsbende zagen). NATO maakte een paar tentoonstellingen en publiceerde drie manifesten in de vorm van tijdschriften waarin Nigel en de anderen hun ongrijpbare, chaotische en provocerende ideeen over de stad debiteerden.

Het doel van NATO, voor zo ver je daarvan kunt spreken, was het aanwakkeren van het creatief verval van de stad: hierin schuilt immers de essentie van het stedelijk organisme. Voor de Docklands bedachten ze het project Giant Sized Baby Town waarin lopende banden dwars door keukens snijden en chemische pijpleidingen de woonkamer doorkruisen. Een 'retorische oefening', aldus auteur Rick Poynor, die de gespierde beelden vergelijkt met de industriele visioenen van de Futuristen. 'Deze expressionistische vertekeningen waren nooit bedoeld als een letterlijk programma voor verandering. Baby Town was een hommage aan de mogelijkheden van de stad, een pleidooi voor de ritmes, botsingen en energie die het stedelijke leven aantrekkelijk maken.'

In het volgende NATO-project, Albion, is de stad een getto en een hele wereldbol tegelijk waar 'wangedrag wordt aangemoedigd en instincten bevrijd'.

Een oord voor stadsratten en dagdromers. Samen met Philippe Starck en Norman Foster is Coates de nieuwste design-import uit het Westen in Japan, waar men gretig het buitenissige binnenhaalt in de strijd om de gunst van huurders, kopers en consumenten. Van meet af aan zijn hem daar nagenoeg onbegrensde mogelijkheden geboden. Coates ontwierp voor Japan niet alleen interieurs, maar kon er, op het eiland Hokkaido, het gebouw Arca di Noe neerzetten. Dit gebouw heeft een scherpe boeg als van een schip, de muren van opgespoten beton bootsen rotsen na. Over zijn werk in Tokio schreef het Amerikaanse blad Architectural Record in 1987: 'Flamboyant and fragmented, his interiors encapsulate the visual chaos of the city's obsession with conspicuous consumption through a frenzied, theatrical display of knowing kitsch.'

Theatraal is nog zacht gezegd. Zijn Metropole restaurant is een hybridische ontmoeting van classicistische beelden met een Engelse herensocieteit, compleet met uit Engeland geimporteerde in leer gebonden boeken, een open haard uit een oud Engels postkantoor en bewerkte houten deuren. In Caffe Bongo ('Piranesi ontmoet de jaren vijftig Espresso Moderne', aldus de ontwerper zelf) en jazzclub Bohemia overheersen de grote glanzende aluminium vleugels en motorgondels die van een neergestort vliegtuig afkomstig lijken.

De keerzijde van deze manier van ontwerpen is dat zijn interieurs slechts een kort leven is beschoren: na twee jaar is een trendy inrichting alweer aan vernieuwing toe. Coates is wel eens schertsend omschreven als 'de ideologische tegenstander van anything minimal'.

Niets zuiverheid en eenvoud, maar collages, verwarring, architectuur als een videoclip. Vanwege zijn voorkeur voor wat de conservator pleasing decay noemde, werd Coates op een recente tentoonstelling in het Victoria en Albert Museum ingedeeld in de categorie Neo-Barok; in 1987 ontwierp hij een sieradenwinkel in Londen die hij zelf 'industrieel Barok' noemde. Deze winkel is een van de opdrachten die hij tegenwoordig - dank zij zijn succes in Japan - in Engeland krijgt en waarin hij laat zien zich ook bedeesder te kunnen opstellen.

Dali, Kant, Palladio: hebben ze hier nog enige betekenis, of dienen ze slechts als handige herkenningspunten langs de snelweg waarover Coates en zijn stadsratten suizen op weg naar alweer een uitzinnig cafe- of winkelinterieur? Met andere woorden: zijn deze ontwerpen meer dan een modegril, hebben ze meer soortelijk gewicht dan efemere beelden in de voorhoede van de tijdgeest? Poynor komt er niet helemaal uit. Je ziet hem naar lucht happen aan het eind van het boek, als hij een verband probeert te leggen tussen het commerciele werk nu en Coates' vroegere, door idealisme ingegeven onderzoek (hoe kinky ook) naar het wezen van de stad.

Coates heeft hier zelf een leuk theorietje over: de winkel is bij uitstek de plek geworden waar architectuur 'de taal van de straat' kan verkennen. Ooit koesterde men de illusie dat goede architectuur ook voor een harmonieuze samenleving zou zorgen. Nu dat een illusie is gebleken, verzorgt Coates graag de inrichting van winkels, want die hebben deze pretentie nooit gehad. Ik heb een sterk vermoeden dat Coates hiermee ook zijn eigen illusies opgeeft. Nigel Coates: The City in Motion door Rick Poynor, verschenen in de reeks monografieen van het architectuur- en designtijdschrift Blueprint. Uitg. Fourth Estate, imp. Consul Books, fl.62,35.

    • Tracy Metz