Tranen en zuchten in het Jalta van Tsjechov

'Het is hier al lente, 't is warm, maar saai; de mensen zijn vervelend en saai, de natuur heeft iets van een kerkhof', schreef Anton Tsjechov op 27 maart 1894 aan zijn vrienden in Moskou. TBC-lijder als hij was liet hij in het Bade-ort Jalta op de Krim een huis bouwen met uitzicht op zee. Hij sleet er de laatste jaren van zijn leven, maar bleef treuren om Moskou en verlangen naar de berkebomen van midden-Rusland. In Jalta schreef hij De dame met het hondje.

Jalta is nog steeds een Bade-ort en met een beetje angst ben ik erheen gereisd in de stellige overtuiging dat ik op de zeeboulevard geen dame met hondje meer tegen zou komen. Dat viel mee. Inderdaad, hotel Jalta is een monster, tegenover Tsjechovs huis verrijzen flats, die gelukkig deels aan het oog worden onttrokken door de bomen die Anton Pavlovitsj zelf rond zijn huis heeft geplant. In het centrum van Jalta torent het verplichte Leninbeeld en het asfalt wordt ook in Jalta niet meer gerepareerd. De zeeboulevard, die vroeger ongetwijfeld een aaneenschakeling van winkeltjes was, toont nu de bekende lege etalages met grauwe vitrages, bedoeld om het schaarse assortiment aan het oog te onttrekken. In de zomer, als de Russische badgasten zich lijfje aan lijfje op het harde schelpenstrand wentelen, moet het een ramp zijn, maar in het voorjaar is het nog heel goed te harden. Er zijn prachtige parken, in een landschap dat een kruising is tussen Italie en Griekenland. Palmen, cypressen en Krimdennen groeien tegen de rotsen op. De Zwarte Zee oogt nog blauw, hoewel de vervuiling hier ook al vreselijk schijnt te hebben toegeslagen.

Tsjechovs huis is een museum en er is gelukkig niemand. Zeer toegewijde dames zijn daarom tot alles bereid en een van hen zet de krakende plaat op waarop Sjaljapin de romantische liederen zingt, die hij voor Tsjechov ten gehore bracht. Uit de luidspreker klinken ook de tonen die Rachmaninov hier aan de eenvoudige zwarte piano ontlokte. In Tsjechovs werkkamer tempert een glas-in-loodraam de felle Krimzon. Tsjechov had last van zijn ogen. Het laatste verhaal dat hij hier schreef was De bruid. Sindsdien is er niets in de kamer veranderd.

Drukker is het in Livadia. Groepen vroege Russische toeristen bezoeken, de museumslofjes gehoorzaam aan de voeten, het paleis waar Churchill, Roosevelt en Stalin in 1945 de wereld verdeelden. Het paleis is door tsaar Nicolaas II gebouwd. Hij was er zeer mee in zijn schik maar heeft er maar vijf maanden van kunnen genieten. Toen werd hij met zijn hele familie door de bolsjewieken doodgeschoten. Het paleis, dat in een schitterend park met uitzicht op zee ligt, werd een kuuroord voor arbeiders.

Vroeger was de Krim van de tataren en de Grieken. De Khan van de Krim hield hof in Bachtsjisaraj, vanaf Jalta twee uur het binnenland in rijden over de door Catherina de Grote aangelegde bergweg langs de rotspunt van Ai-Petri (de heilige Petrus). Hier hield de khan zijn harem achter tralies in een bloementuin. Toch had hij wel gevoel, de khan. Het allermooiste in zijn minarettenpaleis is de beroemde fontein der tranen, door Poesjkin bezongen in zijn gedicht De fontein van Bachtsjisaraj. De khan was zo verdrietig over de dood van zijn meest geliefde vrouw dat hij op haar graf een marmeren Fontein der tranen liet plaatsen. Uit een koperen tuitje drupt elke paar seconden een traan, die langzaam van bekkentje naar bekkentje, als langs een marmeren wang, naar beneden valt. Fontein van de liefde, fontein van het leven/ Ik kom om je deze twee rozen te geven/ Ik houd van je ononderbroken gepraat/ Van de poetische tranen die je voortdurend laat, schreef Poesjkin, die hier - in ballingschap op de Krim - ook menige zucht aan zijn borst liet ontsnappen. Poesjkins twee rozen liggen nog op de fontein.

Iets van de Griekse sfeer van de Krim - de hele kust was vroeger door Griekse vissers bewoond - is nog terug te vinden in Goerzoef, een schilderachtig maar helaas erg vervuild vissersplaatsje. Hier kocht Tsjechov nog een piepklein huisje pal aan zee, op een rotspunt, voor zijn zieke longen. 'Ik heb een stukje oever gekocht met een strandje en een Poesjkinrots, vlak bij de aanlegsteiger en het park van Goerzoef. Nu zijn we eigenaar van een heel baaitje... '

Het huisje, geheel verpest door een betonnen hotel dat er vlak boven tegen de rotswand is geplakt, is dicht. Op ons kloppen komt een dikke, dronken vrouw naar buiten. Het museum wordt opgeknapt, legt ze uit met dubbele tong, maar we mogen wel even een kijkje nemen. Het is niet meer dan een wit schuurtje met twee rotspunten ervoor. De schilders - twee morsige mannen en twee dito vrouwen - zijn aan het schaften en kruipen met bier en brood bij elkaar op schoot op het bankje waar Tsjechov aan De drie zusters werkte. Een meeuw kijkt toe.