Minderheden eisen heffing voor 'onwillige' werkgevers

DEN HAAG, 10 mei - Het probleem van de werkloosheid onder etnische groepen moet met een speciale 'arbeidsverruimende heffing', worden aangepakt. De heffing moet worden betaald door werkgevers die onvoldoende kansen geven aan arbeidskrachten uit de minderheidsgroepen. Dit hebben de inspraakorganen van alle minderheidsgroepen vandaag in een notitie 'Samen werken' aan de regering voorgesteld. De notitie is het antwoord van de inspraakorganen aan het kabinet op het verzoek om advies over de 'Voorlopige regeringsreactie op het rapport Allochtonenbeleid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid', van maart 1990. Volgens de notitie 'Samen werken' zou elk bedrijf dat minder dan 4,3 procent personeelsleden afkomstig uit de minderheden telt, per ontbrekende (voltijds) arbeidsplaats 10.000 tot maximaal 50.000 gulden per jaar extra aan de fiscus moeten betalen tot deze norm wordt gehaald.

De norm komt overeen met het aandeel van de minderheidsgroepen op de totale beroepsbevolking. Evenredige participatie van minderheden op de arbeidsmarkt is bepleit in het regeerakkoord van oktober 1989 en de afspraken tussen het kabinet en de sociale partners ('Gemeenschappelijk beleidskader') van december vorig jaar. Volgens de (wettelijke) regeling die de inspraakorganen voorstellen zou elk heffingsplichtig bedrijf dat werkzoekenden uit de kring van de minderheden in dienst neemt, naar rato vrijstelling van de heffing krijgen. Wordt de minimumnorm van 4,3 procent van het personeel overschreden dan kan het bedrijf een premie krijgen.

De heffing werkt volgens het plan van de inspraakorganen analoog aan de solidariteitsheffing die werknemers in de jaren '80 moesten betalen voor verruiming van het aantal arbeidsplaatsen. Tevens maakt de regeling het mogelijk discriminatie in de arbeidsverhoudingen bloot te leggen.