Meeste patienten tevreden over de huisarts

UTRECHT, 10 mei - Verreweg de meeste mensen (90 procent) die bij een huisarts staan ingeschreven, zijn tevreden over de bereikbaarheid van hun huisarts en de manier waarop hij doorverwijst naar de specialist. Desondanks zegt vijftien tot twintig procent van de patienten soms problemen te hebben met hun huisarts. In de grote steden dreigt de huisarts zijn centrale rol in de gezondheidszorg te verliezen.

Een consult bij een huisarts duurt gemiddeld acht minuten. De praktijkgrootte van de arts is daarop nauwelijks van invloed. In kleine praktijken, die minder dan duizend patienten tellen, neemt de arts duidelijk meer tijd voor de patient. In grote praktijken, van meer dan 2.500 patienten, daalt de duur van het consult licht. De huisarts in een grotere praktijk beknibbelt niet op de contacten met zijn patienten maar werkt wat langer en besteedt minder tijd aan administratie en bijhouden van literatuur. In een gemiddelde praktijk staan ongeveer 2.400 patienten in de kaartenbak, terwijl de huisarts ruim 48 uur per week werkt.

Op het congres 'Doctors at work', dat vandaag en morgen in Utrecht wordt gehouden, maken onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Eerstelijnsgezondheidszorg (NIVEL) de eerste resultaten bekend van een groot onderzoek naar de Nederlandse huisartsen en hun patienten. Die gegevens staan in drie artikelen in het vaktijdschrift Medisch Contact dat vrijdag uitkomt. De tien miljoen gulden die het onderzoek tot nu toe kostte, werden betaald door het ministerie van WVC. De onderzoekers registreerden, steeds gedurende drie maanden in 1987 en begin 1988, alle telefoontjes, consulten, visites, onderzoeken en diagnosen in 161 huisartsenpraktijken met 335.000 patienten. De huisartsen en een steekproef van de patienten werden geenqueteerd. Alle gegevens zijn nu in de computer opgeslagen en worden de komende jaren verder geanalyseerd. Dat zal nog detailkennis opleveren, bijvoorbeeld over de behandeling van bepaalde ziekten in de huisartspraktijk. De Nederlandse gezondheidszorg is opgebouwd rond de huisarts. Mensen die ziek worden moeten eerst daar naar toe. De huisarts verwijst eventueel verder. Hij speelt de rol van portier, poortwachter, sluis of zeef, die moet beslissen tussen 'pluis' of 'niet pluis'. Ruikt de huisarts onraad, dan moet hij de patient doorverwijzen naar de tweede lijn, waar de specialisten met hun verfijnde methoden, medicijnen en apparatuur klaar staan om te diagnostiseren en te behandelen.

Prof. dr. J. van der Zee, de wetenschappelijk directeur van het NIVEL, vindt dat een te defensieve omschrijving van de functie van de huisarts: 'Een portier beslist of iemand naar binnen mag of niet. Hij hoeft van wat er binnen gebeurt geen verstand te hebben en houdt iemand die hij binnenlaat niet in de gaten. Een huisarts moet echter blijven volgen wat er gebeurt. We moeten de huisarts veel meer als een general manager van de gezondheidszorg gaan zien. Een manager bij Philips begrijpt ook niet alle details van de zaken waarover hij beslist. Maar hij houdt de touwtjes wel strak in handen.'

Manager

Vooral bij patienten die aan meer dan een ziekte lijden (comorbiditeit) zou de huisarts behandeling en geneesmiddelengebruik goed in de gaten moeten houden. Uit het NIVEL-onderzoek blijkt dat comorbiditeit vaker voorkomt dan tot nu toe gedacht, vooral bij chronisch zieken. Meer dan de helft van de patienten met suikerziekte, reuma en hart- en vaatziekten lijden ook aan een andere ziekte. De huisarts maakt zijn functie als poortwachter, of als general manager, overigens lang niet altijd waar - vooral niet in de grote steden. De NIVEL-onderzoekers konden dit meten met de use-need-ratio, die de verhouding aangeeft tussen het gebruik dat de patienten van de huisartsenpraktijk maken en de behoefte aan gezondheidszorg die onder de bevolking is gemeten.

In de drie grote steden stapt gemiddeld de helft van de potentiele patienten naar de huisarts; de use-need-ratio is dan een half. Op het platteland is die verhouding driekwart. De ratio varieert overigens per ziekte. De arts-epidemioloog en projectleider van de NIVEL-studie J. van der Velden: 'Dat die ratio niet een is ligt allereerst aan het feit dat veel patienten al bij de specialist lopen. Het verschil tussen de grote steden en het platteland komt natuurlijk omdat er in de stad meer voorzieningen zijn. Er zijn meer alternatieve genezers, meer mogelijkheden voor psychotherapie; er zijn EHBO's en ziekenhuizen, poliklinieken voor geslachtsziekten en consultatiebureau's voor alcohol- en drugsproblemen. We zien echter dat de huisarts in de grote stad geen vat meer heeft op de populatie. In een situatie waarvan je kunt zeggen dat de concurrentieverhoudingen in de gezondheidszorg, die door Dekker werden bepleit, al bestaan, zie je dat de rol van de huisarts is teruggedrongen.'

'Vreemd genoeg zie je in de grote steden erg veel solo-praktijken', aldus Van der Zee. 'Als ergens groepspraktijken met veel verschillende voorzieningen op hun plaats zijn, dan is het wel in de grote stad met haar diverse, gemiddeld genomen ongezondere bevolking en complexe problematiek. Groepspraktijken zien we echter voornamelijk in de middelgrote steden.' Patienten lopen overigens niet met al hun gezondheidsklachten naar de huisarts. Uit een enquete onder de 335.000 patienten in de 161 onderzochte praktijken blijken zij vooral last te hebben van hoofdpijn, moeheid, hoesten, verstopte neuzen, nervositeit, rugklachten, opgewondenheid, slapeloosheid, nek- en schouderklachten en problemen met benen of voeten. De huisarts meldt in zijn top-tien echter hoge bloeddruk, pilcontrole (inmiddels bijna afgeschaft), luchtweginfecties, eczeem, angstgevoelens en nervositeit, slaapstoornissen, spierpijn, verstuikingen en kneuzingen en blaasontstekingen. Onderaan die lijst, bij bijna 2 procent van de patienten, scoort de huisarts ook de diagnose 'geen ziekte': ze komen wel, maar zijn volgens de arts niet ziek. Uit de patientenquete bleek ook dat 7,5 procent van de patienten in de drie maanden waarin ze werden gevolgd een alternatieve genezer hadden geraadpleegd. In de laatste vijf jaar had 14 procent een alternatieve arts bezocht.