Geen laatste woord over Hals

HAARLEM, 10 mei - Heeft Frans Hals zijn hele leven steeds in een trant geschilderd? Had hij nooit haast, nooit een slechte dag? Als dat zo is, dan is het aantal 'authentieke Halsen' kleiner dan sommigen veronderstellen. Maar misschien heeft de schilder zich ontwikkeld, heeft hij verschillende stijlen toegepast en heeft hij ook wel eens een steekje laten vallen. In dat geval komen veel meer schilderijen voor het predikaat 'authentiek' in aanmerking.

Dit probleem is al tientallen jaren de oorzaak van een kunsthistorische controverse. Deze is weer actueel geworden met de selectie voor de grote Frans Hals-expositie, die na succesvolle presentaties in Washington en Londen vanaf zaterdag ook in Haarlem te zien is. Morgen opent prinses Margriet de uit 75 schilderijen bestaande tentoonstelling in het Frans Halsmuseum, die in samenstelling overigens iets afwijkt van die in de twee andere steden. Met de beroering rond de selectie van deze schilderijen flakkert een oud geschil op. In 1937 waren op dezelfde plaats 116 schilderijen te zien. De restaurator M. M.van Dantzig publiceerde dat jaar een boekje getiteld 'Frans Hals, Echt of valsch', waarin hij vaststelde dat er van die 116 werken, maar 33 echt waren. De rest zou uit vervalsingen en kopieen bestaan. Hevig ging Van Dantzig tekeer tegen dergelijke 'shows', die 'den kunstzin van het suggestibele publiek vertroebelen en bederven'.

Zijn argumentatie berustte op een lijst van formele criteria waaraan een echte Hals zou moeten voldoen. Die lijst bevatte 44 punten, waaronder maar liefst elf soorten licht en schaduw. Met deze lijst in de hand is Van Dantzig alle tentoongestelde werken langs gegaan, met het bovengemelde ontluisterende resultaat. Veel weerklank heeft zijn werk niet gehad. Door de officiele kunstwereld werd hij vrijwel genegeerd.

Nu, ruim een halve eeuw later, staat de authenticiteit van Frans Hals opnieuw ter discussie. De tentoonstelling is gebaseerd op de ideeen van Seymour Slive, de grand old man van de Harvard University, die in 1970 en 1974 in drie dikke delen het oeuvre van Hals beschreven heeft. Althans het oeuvre zoals hij het zag, met in totaal 222 schilderijen.

Anderen waren hem al voorgegaan. W. R. Valentiner kwam in 1921 nog op 300 Halsen, N. S. Trivas telde er in 1941 maar 109. Iets eerder dan Slive publiceerde de Munchener kunsthistoricus Claus Grimm zijn proefschrift waarin hij het oeuvre op maar 168 stelde. Als een wat hinderlijk geachte maar niet te omzeilen vakgenoot dook Grimm dit jaar op met een nieuw boek: 'Frans Hals, das Gesamtwerk', waarvan deze week bij Meulenhoff de Nederlandse vertaling verschijnt. Deze maal was hij tot 145 authentieke schilderijen van Frans Hals gekomen. Vooral in Londen veroorzaakte zijn boek en zijn optreden voor televisie beroering omdat hij maar liefst 28 van de geexposeerde schilderijen als niet-eigenhandig beschouwde. Hetzelfde doet zich nu voor in Haarlem. Maar wie heeft gelijk?

Een antwoord op de vraag naar de authenticiteit van Frans Hals is niet gemakkelijk. De vraag zelf roept al vragen op, want 'echtheid' is een twintigste-eeuws begrip. De zeventiende-eeuwer hechtte over het algemeen minder aan de absolute eigenhandigheid van een schilderij en bovendien is er een hele variatie in eigenhandigheid aan te geven. Op sommige schilderijen van de meester heeft een leerling de achtergrond geschilderd, ergens anders heeft de meester misschien een leerlingstuk verbeterd. Men werd in het atelier getraind te werken in de trant van de meester en het is niet onmogelijk dat een enkele begaafde pupil zijn meester heeft evenaard. Die meester kan bovendien zelf ook wel eens een zwakke dag hebben gehad, of met haastwerk genoegen hebben genomen. Zo zou men kunnen spreken van geestelijke eigenhandigheid en van percentages van authenticiteit. Maar hoe het ook zij, er bestaat een onmiskenbare behoefte, voortkomend uit wetenschappelijke interesse, maar ook uit financiele belangen om een exacte mate van 'echtheid' te kunnen vaststellen. Kenners kunnen het meeste afleiden uit de nauwkeurige bestudering van het 'handschrift' van de schilder en door keer op keer te vergelijken. Maar dan nog blijven er twijfels - dat bewijst het geval Slive versus Grimm. De meeste kenners van de zeventiende-eeuwse schilderkunst zijn het er wel over eens dat Slive te gul is geweest met toeschrijvingen aan Hals, en Grimm te strikt. De dominantie van Slive bij de voorbereiding van deze tentoonstelling is er de oorzaak van dat er een aantal omstreden werken hangt. Zo gelooft niet alleen Grimm al lang niet meer dat de kopjes van vissersjongens van Hals zijn. Maar Grimms afwijzing van de wereldberoemde Regentessen van het Oudemannenhuis gaat de meesten weer veel te ver.

De controverse begint bij de uitgangspunten: tot wat achtte men Frans Hals in staat. En: hoe consistent was zijn werk? Wanneer men een beperkt aantal schilderijen tot criterium verheft en er dan van uit gaat dat Hals zijn hele leven alleen maar in die trant geschilderd heeft, haast of geen haast, slechte dag of niet, ja, dan blijft het corpus van Halsen beperkt. Maar wanneer men de mogelijkheid openlaat dat hij zich ontwikkelde, verschillende stijlen wist toe te passen en ook wel eens een steekje vallen liet, dan komen veel meer schilderijen in aanmerking.

Het laatste woord is natuurlijk niet gezegd en zal misschien nooit worden gezegd, maar een systematische analyse van alle mogelijke Halsen, met gebruikmaking van natuurwetenschappelijke methoden en archiefonderzoek, zoals dat ook met Rembrandt gebeurt, zal nieuwe inzichten kunnen opleveren, al was het alleen maar om over de werkwijze van de schilders. Daar wordt aan gewerkt. Directeur D. Snoep van het Frans Halsmuseum maakte gisteren bekend dat er met het onderzoek van de nu tentoongestelde schilderijen begonnen wordt. Als startsubsidie heeft het ministerie van WVC daar 26.000 gulden voor toegekend.

En de tentoonstelling? Die is prachtig. Er hangen zoveel werken die ver van Haarlem verspreid zijn geraakt, en nu weer met elkaar geconfronteerd kunnen worden. In een geval zijn de twee helften van een lang geleden doormidden gesneden schilderij weer verenigd. Geen zeventiende-eeuwse schilder heeft leden van de Hollandse regentenklasse zo ongedwongen weergegeven. Een bewijs, lijkt me, dat overvloed beslist niet met onbehagen gepaard hoefde te gaan. De controverse over de eigenhandigheid strekt zich ook uit tot hier hangende schilderijen en dat brengt een spanning teweeg, die men in een als honderd procent authentiek gewaarmerkte selectie mist. Men wordt veel sterker gedwongen te kijken, te vergelijken en zwakke en sterke plekken binnen de schilderijen te bestuderen. Of ze nu van Hals zijn of niet. Zo verkeert een aanvankelijk nadeel in zijn voordeel. Sterker nog, het verdient aanbeveling om op elke tentoonstelling van onbetwiste meesters een paar excellente kopieen te hangen.

Catalogus: 'Frans Hals'; Sdu Uitgeverij, prijs: fl.55,00. Bij Gary Schwartz/Sdu is een apart katern over Hals' Schuttersstukken uitgekomen. Bij uitgeverij Waanders verscheen 'Haarlem en Hals, een stad en zijn schilder'; door Alice van Diepen en Henriette Fuhri Snethlaghe; prijs: fl.49,50. In het Cultureel Supplement van 18/5 wordt de tentoonstelling besproken.