Boerderij anno 1900 nu als museum

Op 26 juni bezoekt koningin Beatrix Noord-Brabant, waar zij zich onder meer op de hoogte zal stellen van het mestprobleem. Ze gaat die dag ook naar Gemert, waar sinds kort het Boerenbondsmuseum is gevestigd. Brabant anno 1900. Waar het nu naar mest stinkt, rook het vroeger naar armoede. GEMERT, 10 mei - Gemert in Zuid-Oost-Brabant behoort tot de tien meest verzuurde gemeenten van ons land, want de intensieve veehouderij nam er een hoge vlucht.

Waar het nu naar mest stinkt, rook het vroeger naar armoede. Keuterboeren op de arme zandgronden hadden rond de eeuwwisseling nauwelijks een bron van bestaan. Op tafel verscheen meestal niks anders dan aardappelen met zure saus. Brood werd besmeerd met spekvet. Het meeste land was in bezit van enkele rijken.

De gezinnen waren groot. Met vier kinderen sliepen ze in een bedstee. De mest werd, als ware het goud, verzameld in de potstal. 'De mest is als eenen Tweede God', zo heette het in die tijd. De natuurlijke mestsoorten als Guyano en Chilisalpeter, afkomstig van tropische vogeleilanden, werd in kleine potjes bewaard en bij elke aardappelplant werd er heel zuinigjes een snufje van gedeponeerd.

In Gemert werd in 1853 een man geboren, die als de pater Norbertijn Gerlacus van den Elsen de Brabantse boerenstand aan zich zou verplichten. Op zijn initiatief werd in augustus 1896 de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB) opgericht, nu uitgegroeid tot de machtigste gewestelijke boerenorganisatie in Nederland. Daaruit kwamen giganten voort als de Boerenleenbank, de Cooperatieve Handels Vereniging (CHV) in Veghel en de zuivelindustrie van Campina. Twintig jaar na de oprichting schreef Van den Elsen: 'Mijn streven is sinds ruim 20 jaar den boerenstand, vooral den kleinen boer, door een krachtige organisatie vrij te maken van verderfelijke invloeden op godsdienstig en zedelijk gebied en hem sterk te maken tegen de overmacht van het kapitalisme en het proletariaat. In dat streven zijn we een heel eind weegs gevorderd.'

In wezen was Van den Elsens opzet om de liberale en door protestanten overheerste Maatschappij van landbouw de wind uit de zeilen te nemen. Massaal sloten de boertjes, daartoe opgeroepen door de pastoors, zich bij de NCB aan. In 1916 waren er 40.000 leden. Nu nog 16.000, wat grotendeels komt door de schaalvergroting. Bijna hondervijftig jaar later leven de meeste Brabantse boeren in behoorlijke welstand. Te ontginnen bos is er niet meer. Wat er van overbleef heeft men de status van Natuurmonument moeten geven. Maar door onttrekking van water aan de grond ten behoeve van de landbouw, verdrogen ze, zoals de Peel. De mest is steeds meer een bedreiging geworden voor het milieu. In een concentratiegebied als dat rondom Gemert en verderop in de Peel is de grond over grote oppervlakten vergiftigd of althans zeker met fosfaat verzadigd. Nitraat bedreigt het drinkwater. Mest werd van een 'Tweeden God' een Satan.

Van den Elsen, kind uit een gezin van veertien kinderen, werd geboren in wat nu de Pandelaar heet. Daar is sinds kort een museum gevestigd: het Boerenbondsmuseum. Terwijl tractoren in de verte over het land rijden, overal installaties staan die de droge grond beregenen, het verkeer langs de Pandelaar raast en de penetrante stank van mest de neus prikkelt, waant men zich inderdaad in wat het museum pretendeert: in een boerderij anno 1900. Zonder honderden varkens op een kluitje, zonder kettingzeugen of bloedig kaal gepikte kippen in batterijen, zonder superkoeien met plaatjes voor de computer in de oren, zonder gierputten onder de roosters van de stallen.

In de schuur worden wisselende tentoonstellingen ingericht. De tentoonstelling die nu loopt, is vooral gewijd aan de pater, die men als een pop in een hoek op een stoel heeft neergezet met naast zich zijn aktetas. In de eigenlijke boerderij is soberheid troef. Aan muren hangen huiszegens: 'Bemind, Geloofd, Aanbeden zij Jezus H. Hart.'

Een alkoof met een po, een literatuurrekje met de Katholieke Illustratie, een glazen stolp waaronder de H. Familie is afgebeeld en in de keuken een bord: 'De schoonste naam op 't wereldrond, het schoonste woord uit menschenmond is moeder.'

In de stal vier (echte) koeien van het uitstervende ras Emmerij, wat stond voor Maas-Rijn-IJssel, twee kalfjes en een paard. En dan die reuk van mest, vermengd met die van hooi. Dat stinkt niet. Dat is een genot voor het zintuig.

Op het erf bij de keuken is een waterput en een bakhuis, een kruidenhoek en een tuintje met snijbloemen. Achter een heg liggen de mestvaalt, de mutsert (de bundels takkenbossen voor het bakhuis) en de bliksemkuil, waarin water werd opgevangen mocht er brand uitbreken. De daken van de boerderijen waren meestal van stro. Werd de boer welvarender dan verving hij het stukje bij beetje door pannen. Dan was hij 'onder de pannen'. In de boomgaard scharrelen de kippen. Men komt aan de velden, waarop straks rogge, tarwe, boekweit en haver zullen golven in de wind. Nu liggen er twee koeien te herkauwen. De lucht is heiig. Het is broeierig warm. Stof waait op. In een boom fluit een merel, onder de pannen van de stal nestelen zwaluwen. Men wordt er wat melancholiek van.

Achterneef van pater Van de Elsen, Antoon van de Elsen (63), gids in het museum: 'In de familie wordt niet meer zoveel over de pater gesproken. Trots over hem tonen we niet, daar zijn we te nuchter voor.'