Betogingen in Zuid-Korea langs lijnen van Confucius

ROTTERDAM, 10 mei - Ieder voorjaar is het raak in Zuid-Korea. Wanneer de bomen bloesemen in Seoul, in Pusan, in Kwangju, in Inchon gaan de studenten de straat op om te betogen. Het doelwit van hun toorn hangt af van het agitatorische aanbod, van de actualiteit, van de grillen der studentenleiders.

De Democratische Gerechtigheidspartij van president Roh Tae Woo besloot begin dit jaar samen te gaan met twee van de drie oppositiepartijen, waardoor een grote conservatieve formatie, de Democratisch-Liberale Partij (DLP), ontstond die met 219 van de 299 parlementszetels het machtsmonopolie bezit. De fusie was het dankbare mikpunt voor de radicale studenten. Nu de DLP deze week haar eerste nationale conventie houdt in Seoul gaan ze massaal de straat op om ontbinding van de partij te eisen. De conventie in Seoul bevestigde gisteren echter het samengaan en koos Roh Tae Woo unaniem tot president.

Een coalitie van radicale studentengroepen en andere oppositionele bewegingen heeft aangekondigd vanaf nu elke dag om het spitsuur acties te houden. Een soortgelijke tactiek dwong in 1987 de toenmalige president Chun Doo Hwan tot het uitschrijven van democratische verkiezingen en tot zijn latere terugtreden ten gunste van Roh. 'Burgercoalitie voor de omverwerping van het Roh Tae Woo-bewind en de ontmanteling van de Democratisch-Liberale Partij' is de naam van de gelegenheidsactiegroep. Behalve tegen de regering richten de betogers zich op gebruikelijke wijze ook tegen de Amerikaanse aanwezigheid - de Amerikaanse ambassade is een van de gebouwen waar de actievoerders graag in de buurt vertoeven. Wat de Zuidkoreaanse radicalen niet willen is zonneklaar, wat ze wel willen is grotendeels onbekend.

'Hereniging met Noord-Korea' wordt zo nu en dan geschreeuwd. Op het Koreaanse schiereiland ligt sinds het einde van de Koreaanse oorlog in 1953 een van de scherpste breuklijnen van communisme versus kapitalisme. Noord-Korea heeft zich onder Kim Il Sung ontwikkeld tot een orthodox communistische kluizenaarsstaat die ook na de Oosteuropese omwentelingen van 1989 nog geen teken van verval vertoont. Zuid-Korea is daarentegen een verklaard bolwerk van de vrije markt. Een zeer grote meerderheid van de Zuidkoreanen voelt niets voor het systeem van Kim en het is de vraag of de betogers die leuzen roepen voor Noord-Korea daar zelf in geloven. De massale betogingen volgen op grote arbeidsonrust die de scheepswerf en autofabrieken van industriegigant Hyundai de afgelopen weken overspoelde. Zuid-Korea is getroffen door een economische crisis die zich vertaalt in stakingen en andere acties in de bedrijven. Het land was jarenlang op weg een tweede Japan te worden; in '86, '87 en '88 was de gemiddelde economische groei 12,3 procent; de export steeg per jaar met 25 procent. Voor de Zuidkoreanen leken er geen grenzen aan de groei te zijn. Die waren er wel, vorig jaar zakte het groeicijfer dramatisch: nog maar 6,7 procent; de export viel terug naar een groei van 5,2 procent. Massale onrust op de scheepswerf en in de autofabrieken van Hyundai was het gevolg. Iedereen geeft elkaar de schuld van de crisis; in werkelijkheid is een 'dader' niet zo eenvoudig aan te wijzen. De regering geeft de schuld aan incompetente managers. Bedrijven maken verwijten aan het adres van de regering en aan te inhalige arbeiders. De vakbonden houden de regering en de bedrijfsleiders verantwoordelijk. Voor de radicale groeperingen ten slotte is de economische crisis een godsgeschenk, een bewijs temeer voor het falen van Roh Tae Woh - en een nieuwe aanleiding de straat op te gaan.

Het heeft er alle schijn van dat Zuid-Korea de prijs betaalt voor de democratie. Juist onder de militaire dictatuur, vanaf 1961, ging het de confucianistische Zuidkoreanen naar den vleze. Het confucianisme, met zijn sterke hang naar gezag en harmonie, leidde onder de autoritaire leiding van opeenvolgende generaals dank zij een hardwerkende bevolking tot een bloeiende economie. De eerste vrije presidentsverkiezingen in 17 jaar leverden eind 1987 een overwinning op voor Roh Tae Woh. Het stoorde de Koreanen blijkbaar niet dat Roh een naaste medewerker was geweest van dictator Chun. Ook de onthullingen over Chuns wandaden, zijn corruptie en zijn schendingen van de rechten van de mens - hij gaf het naderhand allemaal toe - deerden Roh niet, ook bij de parlementsverkiezingen in het voorjaar van 1988 kwam hij als winnaar uit de bus. Het huidige samengaan van Rohs partij met twee oppositiepartijen onderstreept de confucianistische inborst van de Koreanen.

Tijdens de dictatuur werd aan betogingen een genadeloos einde gemaakt. In Kwangju vielen in mei 1980 tientallen, mogelijk honderden doden, toen het leger een einde maakte aan een opstand van studenten en dissidenten. Tegenstanders van het bewind werden voor jaren opgesloten. In een democratie hebben tegenbewegingen het recht zich te uiten en dat hebben radicale groeperingen in Zuid-Korea niet nagelaten. Maar nog altijd loopt het politieke protest langs Confucius' lijnen van geleidelijkheid. De confrontatie tussen politie en betogers is een spel, met regels. Het geweld heeft een grens, een grens die slechts zelden wordt overschreden en als dat gebeurt is het meestal per ongeluk, zoals vorig jaar toen zes politieagenten na een studentenactie in een brandend gebouw om het leven kwamen.

Opiniepeilingen hebben een daling van de populariteit van Roh Tae Woo uitgewezen, maar van de 40 miljoen Zuidkoreanen lopen er nog altijd weinig warm voor de eisen van de 'burgercoalitie'.

    • Lolke van der Heide