WVC trekt voor literatuur vijf miljoen gulden extra uit

RIJSWIJK, 9 mei - Het ministerie van WVC wil de uitgaven voor literatuur van 12 tot 17 miljoen gulden verhogen. Als gevolg daarvan stijgen de P. C. Hooftprijs en de Theo Thijssenprijs voor kinder- en jeugdliteratuur van 25.000 naar 100.000 gulden. De subsidie voor het Fonds voor de Letteren wordt bijna verdubbeld. Er gaat ook meer geld naar leesbevorderende maatregelen en het Letterkundig Museum. Bovendien komt er een afzonderlijk Fonds Literaire Produkties voor steun aan literair belangrijke boeken, literaire tijdschriften en vertalingen. Het bedrag voor eregelden ten behoeve van oudere letterkundigen wordt verruimd tot 250.000 gulden. De vijf miljoen gulden die voor deze uitbreidingen nodig zijn wil minister d'Ancona onttrekken aan het budget voor de leenvergoedingen. Op dit moment worden de leenvergoedingen nog voor tweederde deel opgebracht door de bibliotheken en voor eenderde door WVC. Deze laatste subsidiering wordt, als de voorstellen van de minister worden aangenomen, met ingang van 1 januari 1992 gestaakt.

Minister d'Ancona doet haar voorstellen in een brief over het letterenbeleid die vandaag naar de Tweede Kamer gaat. Als vervolg op de vorig jaar verschenen Letterennota van minister Brinkman stelt zij in deze brief een aantal concrete maatregelen voor. Ook geeft zij voor deze maatregelen de financiele grenzen aan voor de komende jaren.

Kern van de vandaag door minister d'Ancona verzonden brief over het letterenbeleid is dat zij de subsidiering van de leenvergoeding afschaft. Deze subsidiering is in 1987, tegelijk met de leenvergoeding, ingevoerd met het doel de literatuur te stimuleren. De verwachting was dat de literaire schrijvers door deze subsidiering aanzienlijk meer zouden gaan verdienen, waardoor het schrijven van literatuur voor hen aantrekkelijker werd. Deze verwachting is niet uitgekomen. Steekproeven bij bibliotheken maakten duidelijk dat vooral niet-literaire schrijvers als Mien van 't Sant en A. C. Baantjer van de regeling profiteren. De minister wil daarom de leenvergoeding in de huidige vorm afschaffen, en vervangen door een leenrecht, dat in de auteurswet kan worden geregeld en waar de overheid verder niet meer aan te pas komt. Zij voorkomt daarmee problemen met de Europese Gemeenschap, die een leenvergoeding in de huidige vorm niet accepteert. Als het voorstel door de Kamer wordt aanvaard, komen de kosten van het leengeld voortaan geheel voor rekening van de leners en de bibliotheken. Het leengeld zal in alle Nederlandse bibliotheken worden geheven, dus ook in academische en instituutsbibliotheken. Het aan auteurs uit te keren bedrag zal niet langer aan een maximum (nu 10.000 gulden) zijn gebonden. De vijf miljoen die door de nieuwe regeling kan vrijkomen, wil de minister besteden aan projecten die meer de literatuur ten goede komen. Het Fonds voor de Letteren, dat nu circa tweehonderd schrijvers en vertalers voorziet van werkbeurzen, krijgt in plaats van 400.000 gulden 770.000 gulden, op voorwaarde dat het aantal gesubsidieerde schrijvers niet verder toeneemt. De minister wil door deze voorwaarde voorkomen dat de spoeling te dun wordt. Het gaat er bij deze maatregel om het vaak zeer lage inkomen inkomen van individuele schrijvers te verhogen, niet om meer schrijvers te creeren.

P. C. Hooftprijs

Het voorstel het bedrag voor de P. C. Hooftprijs en de Theo Thijsseprijs te verviervoudigen motiveert minister d'Ancona met het argument dat het verschil met andere prijzen, zoals de AKO-prijs, te groot is geworden. Ze stelt in haar brief dat er naast de AKO- en de ECI-prijs nog altijd bestaansrecht is voor een P. C. Hooftprijs, omdat de thans bestaande particuliere prijzen vooral tot doel hebben de boekverkoop te bevorderen en niet op hoge kwaliteit letten. Zij passen volgens d'Ancona niet in het door haar geoogde 'specifieke letterenbeleid'. De minister heeft, zo blijkt uit haar brief, afstand genomen van het vorig jaar geuite voornemen van de P. C. Hooftprijs weer een staatsprijs te maken. De prijs blijft vooralsnog onder beheer van een onafhankelijke stichting. Wel wil d'Ancona de criteria voor de toekening van de prijs verruimen. Zo is het volgens haar niet langer nodig de genres proza, poezie en beschouwend proza jaarlijks te laten afwisselen. Ook kan iemand voortaan voor zijn gehele literaire worden bekroond. Het ministerie wil het reglement van de P. C. Hooftprijs zo veranderen dat de prijs in de toekomst ook mag gaan naar een buitenlander, die 'een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse literatuur' heeft geleverd. Daarmee wordt de mogelijkheid geschapen dat de al eerder genomineerde Elisabeth Eybers voor bekroning in aanmerking kan komen. Het ministerie wijst er echter op dat het wel een Nederlandse prijs blijft. Vlamingen zullen daardoor in het algemeen niet bekroond kunnen worden.

De opzet van het nieuw te vormen Fonds voor Literaire Producties is te vergelijken met de opzet van het Fonds Beeldende Kunst, Bouwkunst en Vormgeving. Het fonds wordt in de eerste plaats gefinancierd met de zes ton die naar verwachting vrij komt door het opheffen van de in opspraak geraakte Stichting voor Vertalingen. Daarnaast worden enkele subsidies, die nu rechtstreeks door WVC worden uitbetaald, naar het fonds overgeheveld: het budget voor de literaire tijdschriften (circa 4,5 ton) en de 1,2 miljoen gulden die WVC nu jaarlijks uitgeeft aan bijzondere literaire boekuitgaven. De overheveling kan worden gezien als een vorm van privatisering. Het ministerie hoeft zich niet meer te bemoeien met de vraag wie geld krijgt en wie niet.

De komende maaanden zal de structuur van het fonds vorm moeten krijgen. Het ministerie van WVC streeft ernaar het bestuur zo evenwichtig mogelijk samen te stellen. Dit wil zeggen dat niet wordt ingegaan op het vorig jaar gepubliceerde voorstel van de uitgeversbond (KNUB) om een dergelijk fonds geheel afhankelijk te maken van de gevestigde literaire uitgevers. WVC wil voorkomen dat het Fonds aan belangenbehartiging zal gaan doen en 'deskundige buitenstaanders' moeten borg staan voor een fundamentele inhoudelijke discussie over het beleid.