Von Stade is niet te beroemd voor onbekende liederen

In de categorie 'sterren' van de klassieke muziek bestaan gradaties. Neem nu Frederica von Stade, die gisteravond de serie grote solisten van het Concertgebouw afsloot, en Jessye Norman, eerder dit seizoen in dezelfde serie. Beiden zijn 44 jaar, geboren in Amerika, hebben een sublieme 'strot' en zingen al jaren op alle grote podia in de wereld.

Toch waren de verschillen tussen de twee concerten hemelsbreed. Voor Jessye Norman was er een op stevig hoogglans papier gedrukt, omvangrijk boekwerk, met drie grote kleurenfoto's van de ster en met een glinsterende omslag. Frederica von Stade moest het doen met een klein zwart-wit portretje en enkele pagina's tussen de C-serie en het romantische pianoconcert in Preludium, het maandelijkse 'Concertgebouwnieuws'. Voor aanvang van het concert van Norman heerste een extra spanning. De genodigden van de sponsor kwamen, zoals genodigden dat gewend zijn, gezellig keuvelend, te laat binnen. Alles wat klassieke concerten tot een circus kan te maken was aanwezig. Dat Norman niet onder die druk bezwijkt, is op zichzelf al een prestatie.

Frederica von Stade zou in zo'n circus misstaan. Op haar zijn bijvoegelijke naamwoorden van toepassing als innemend, vriendelijk, gracieus, bescheiden, bevallig. Daarmee word je geen superster. En aangezien je dat evenmin alleen om een prachtig, helder en fluwelen stemgeluid wordt, zal Von Stade wel nooit Normans roem ten deel vallen.

Gelukkig maar, want zij kan zich daardoor veel permitteren. Een programma bij voorbeeld met, op Schubert en een Mozart-colloratuurtje na, uitsluitend minder bekend liedrepertoire. De hoofdmoot bestond uit vroeg twintigste eeuwse Italianen voor de pauze en Fransen uit de eerste helft van deze eeuw erna. Italiaanse liederen hoor je helaas zelden. Von Stade liet de regen bevrijdend vallen in Respighi's Pioggia. Als een vogeltje kwinkeleerde ze in E l'uccellino van Puccini. In Venitelo a vedere, opnieuw van Respighi, bleek hoe ze met haar stem acteert: een volledig gecontroleerde, quasi onbehouwenheid van een moeder die een slaapliedje zingt.

Schubert, van wie ze juist overbekende liederen zong, ligt Von Stade minder. Ze heeft moeite met de taal, waardoor de tekst slecht verstaanbaar is, en wordt daardoor onzeker. In An Sylvia koos ze prompt een te langzaam tempo, in het snelle Der Musensohn moest ze af en toe sjoemelen met de toonhoogte. In deze liederen kreeg ze onvoldoende steun van de verder adequaat spelende pianist Martin Katz.

In het Franse gedeelte na de pauze maakte ze alles goed. Van de ingetogen lyriek van Messiaens vroege liederen tot de beweeglijke, met een groot gebaar gezongen Petit cours de morale van Honegger, in alle bochten wist ze haar soepele stem te wringen. Ook haar opera-afkomst verloochende ze niet in een bewust aanstellerige versie van Daphenoe van Satie en in de uitbundige Drei Brettl-Lieder van Schonberg, maar vooral in de dronkenvrouw-scene uit Offenbachs La Perichole, een van de drie toegiften.

Concert: Liedrecital van Frederica von Stade (mezzosopraan) en Martin Katz (piano). Programma: Respighi, Puccini, Pizetti, Schubert, Mozart, Messiaen, Honegger, Satie, Poulenc en Schonberg. Gehoord: 8/5, Grote Zaal, Concertgebouw te Amsterdam.