Pools verleden verdwijnt niet in de doofpot

BUSKO ZDROJ, 9 mei - Er gaat in Polen vrijwel geen dag voorbij zonder dat in de media, in het parlement of elders wordt geklaagd dat archieven met belastend materiaal over wandaden van de geheime politie van het vorige regime worden vernietigd, en dat niemand daar iets tegen doet. Maar het een noch het ander is waar, zegt Jan Rokita: er is vrijwel niets vernietigd.

Jan Rokita - 30, jurist en voormalig activist van de radicale pacifistische actiegroep Vrede en Vrijheid - is Polens jongste parlementarier. Hij is ook voorzitter van de parlementscommissie die de politieke misdaden van het vorige regime onderzoekt. De commissie is waarschijnlijk de enige die zich mag verheugen in de niet aflatende belangstelling van het Poolse publiek: zij moet de doofpot van het communisme openen, zij moet de dorst naar wraak lessen.

De commissie bestaat uit 21 leden uit alle fracties in het parlement en wordt bijgestaan door veertig deskundigen die ze zelf selecteert. Eenderde van de commissie bestaat uit leden van de vroegere communistische partij. Deze leden nemen in de praktijk niet aan het werk deel. Rokita: 'Ze zijn passief. Ze zitten ook niet vrijwillig in de commissie - ze moesten wel. Maar we hebben geen last van hen: ze hinderen het werk niet.' De commissie concentreert zich uitsluitend op gevallen waarin de geheime politie van het oude socialistische bewind ervan wordt verdacht de hand te hebben gehad in de dood van opponenten van het regime - activisten van Solidariteit, priesters, studenten - en dan nog uitsluitend vanaf de dertiende december 1981, de datum van de uitroeping van de staat van beleg. Uitgangspunt van de commissie was een lijst met 93 verdachte sterfgevallen, opgesteld door het Poolse Helsinki-Comite. Sinds de vorming van de commissie zijn er nog eens ongeveer honderd andere gevallen bijgekomen die eveneens worden onderzocht. De commissie krijgt verder honderden klachten binnen over andere wandaden van het ministerie van binnenlandse zaken (waaronder de inmiddels ontbonden geheime politie viel), varierend van diefstal tot ernstige mishandeling. Die klachten, zegt Rokita, worden doorgegeven aan de justitie: de onderzoekscommissie bekijkt alleen sterfgevallen. De resultaten van elk onderzoek worden overhandigd aan de openbare aanklager die beslist of er vervolging wordt ingesteld. De taak van de commissie is uitsluitend vast te stellen of het ministerie van binnenlandse zaken in het verleden verantwoordelijk is geweest voor misdaden. Rokita: 'Men gaat er algemeen van uit dat het ministerie van binnenlandse zaken haastig is overgegaan tot de vernietiging van documenten die de geheime politie belasten. Volgens mij is er echter maar heel weinig vernietigd - alleen tweede klas materiaal, en dan nog pas nadat het eerst op microfilm was vastgelegd. In andere gevallen is archiefmateriaal overgebracht naar instanties waar de commissie geen toegang heeft, zoals de archieven van de militaire inlichtingendienst'.

'Dat betreft echter in het algemeen materiaal dat nauwelijks interessant voor ons is. Ons probleem is eerder dat er in de meeste gevallen van politieke moord nooit archiefmateriaal is geweest dat ons van nut kan zijn: bevelen zijn mondeling gegeven. Soms waren het zelfs geen bevelen, maar vage suggesties. Daders, chefs en openbare aanklagers werden door de politiek gedekt, een keten van verantwoordelijkheden waarin niets meer valt te bewijzen. In het verleden hebben juridische onderzoeken naar verdachte sterfgevallen vaak vooral bestaan uit het uitwissen van sporen en het vernietigen van bewijzen. In de meeste gevallen die we onderzoeken is er nauwelijks een basis voor een rechtszaak'.

Het is geen wonder dat er nog nauwelijks resultaten zijn geboekt die het verlangen naar wraak op de moordenaars van gisteren zouden kunnen lessen. Je kunt, zegt Rokita, de hele vroegere establishment aanklagen wegens lidmaatschap van een criminele bende, maar dan moet je ook 'de consequenties trekken, die van de Roemeense methode'. Hij geeft de voorkeur aan 'algemene wetsprincipes, en die komen neer op de regel dat een aanklacht pas volgt als er bewijzen zijn'. Documenten ontbreken niet altijd. In het geval van de dood van Grzegorz Przemyk, de student die kort na de uitroeping van de staat van beleg op straat werd opgepakt en dusdanig werd mishandeld dat hij stierf, werd Rokita's commissie aanvankelijk verteld dat de politie naar dat sterfgeval nooit een onderzoek heeft ingesteld, dat er dus geen dossiers bestaan en dat er niets te onderzoeken valt. 'Kort daarna kregen we een vertrouwelijke tip. Onderminister van binnenlandse zaken Kozlowski is daarop in zijn auto gesprongen, is naar het hoofdbureau van politie gereden en heeft daar in een achterafkamertje 28 dossiers over de zaak Przemyk gevonden. In dit geval zal er wel een aanklacht uit de bus rollen, al duurt het nog maanden voor we door die dossiers heen zijn', aldus Rokita.

Er zijn meer uitzonderingen. Rokita: 'Soms zijn de daders van moorden bekend, al sinds de moord zelf, maar zijn ze alleen nooit vervolgd. We weten wie in 1982 de Krakowse student Bogdan Wlosik heeft doodgeschoten. Ook in dat geval is bewijsmateriaal vernietigd, maar we weten bij welke verdachte we moeten zijn. Bovendien kan worden onderzocht wie die zaak indertijd in de doofpot heeft gestopt. Verder is duidelijk dat het bloedbad in de Wujek-mijn (direct na de uitroeping van de staat van beleg) door de politie is aangericht. In dat geval is het probleem alleen maar vast te stellen wie het bevel heeft gegeven. En waarom hij dat bevel heeft gegeven'. Het gebrek aan concrete resultaten - concrete aanklachten - zet Rokita's commissie steeds meer onder druk: het ongeduld over het uitblijven van de bestraffing van politieke misdadigers groeit. Rokita: 'Van ons wordt verwacht dat we verklaren dat het ministerie van binnenlandse zaken een criminele instantie is geweest, zoals de Gestapo, en dat we mensen voor de rechter brengen, niet op basis van concrete bewijzen maar op basis van het lidmaatschap van een criminele organisatie. Dat is een eis die steeds vaker wordt gesteld. Ik moet me daartegen verzetten. Het is niet prettig, maar ik voel dat ik word verdacht van het dekken van misdadigers. Het wordt nog niet openlijk gezegd, maar het valt tussen de regels te lezen. Het is misschien jammer, maar als we de vervolging van misdadigers toevertrouwen aan sociale organisaties als een parlementscommissie komen we in een bolsjevistische revolutie terecht'.

    • Peter Michielsen