IEDEREEN GELIJKE KANSEN OP DE ARBEIDSMARKT; Rients de Boerregisseur achter de nieuwe arbeidsvoorziening

Formeel bestaat zijn organisatie nog niet, maar vooruitlopend op het fiat van de Eerste Kamer zet Rients de Boer de lijnen uit van de nieuwe arbeidsvoorziening in ons land. Over vier jaar moet iedereen in Nederland, ongeacht geslacht of afkomst, gelijke kansen hebben om werk te vinden. De 'politiek' moet zich er even niet mee bemoeien.

Vier jaar geeft Rients de Boer de nieuwe Arbeidsvoorziening om 'een andere geest in de tent te krijgen'. 'In die periode moet het lukken om een prima functionerende organisatie op poten te zetten', zegt hij optimistisch.

De Boer is beoogd voorzitter van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA), het orgaan dat straks de leiding zal hebben over de arbeidsbureau's nieuwe stijl, waarin overheid, werkgevers en werknemers samenwerken. 'Belangrijk is dat de organisatie rust krijgt. De politiek moet ons de tijd geven ons beleidsplan uit te voeren. We hoeven voorlopig geen extra geld en geen extra personeel. Dat komt misschien later aan de orde. Om te beginnen moeten we wat we hebben, gewoon anders gebruiken.' De 52-jarige De Boer kent 'Den Haag'. Hij was - te beginnen onder minister Den Uyl - de eigenzinnige leider van de directie werkgelegenheid van het ministerie van sociale zaken. Sinds het opheffen van deze directie in 1985 runt hij een eigen adviesbureau.

Formeel bestaat het CBA nog niet, de Eerste Kamer moet het wetsontwerp nog behandelen dat de oprichting van de tripartite arbeidsvoorziening regelt. Maar daar op vooruitlopend zet het CBA informeel al het beleid uit van de nieuwe organisatie, zodat alles zoveel mogelijk op orde is als de wet wordt aangenomen.

De nieuwe wet regelt dat de arbeidsbemiddeling op afstand van de overheid wordt gebracht. Werkgevers, werknemers en overheid delen de verantwoordelijkheid voor de besteding van een bruidsschat van circa twee miljard gulden. Het Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening bepaalt de hoofdlijnen van het beleid. Overal in het land zullen eveneens tripartite samengestelde Regionale Besturen Arbeidsvoorziening (RBA) dat beleid in daden moeten omzetten. Ze hebben daarbij een grote zelfstandigheid.

Economische druk

Al vanaf het begin van de jaren tachtig is over een andere aanpak van de arbeidsvoorziening gepraat omdat vraag en aanbod van arbeid niet goed op elkaar aansluiten. Maar tot 1987 leidde dat tot weinig concrete resultaten. Nu zit de zaak in een stroomversnelling. Door de dreigende krapte op de arbeidsmarkt neemt de behoefte aan efficiente arbeidsbemiddeling toe.

De Boer: 'Werkgevers hebben altijd belang gehad bij goed opgeleide mensen. Ook in de tijd van massale werkloosheid kreeg je te horen: we krijgen de verkeerd opgeleide mensen. Maar de nood stijgt, dat is waar. Ze krijgen steeds meer belang bij een goed draaiende arbeidsvoorziening.'

Maar volgens De Boer is de lange ontstaansgeschiedenis toch vooral te wijten aan de ingewikkeldheid van de materie en de van tijd tot tijd optredende twijfel bij de drie betrokken partijen. Bovendien zorgde de kabinetscrisis voor vertraging.

Overigens is ook nu nog het enthousiasme van de politiek voor de nieuwe organisatie niet erg groot. Keer op keer hebben de fracties in de Tweede Kamer de vrees geuit dat het parlement buiten spel komt te staan en dat de nieuwe organisatie door onderlinge verdeeldheid verlamd zal raken. Voorlopig heeft het CBA het voordeel van de twijfel gekregen, maar de politiek wil snel resultaten zien. En wel in de vorm van een forse daling van de werkloosheid. Het kabinet heeft de suggestie gewekt dat dit mogelijk moet zijn door jaarlijks 100.000 banen te creeren.

Beleidsplan

De Boer laat zich niet opjagen. 'Wij zullen ons houden aan ons beleidsplan. Ons doel is dat over vier jaar iedereen, ongeacht geslacht of afkomst, gelijke kansen heeft om werk te vinden', zegt hij neutraal.

Dat betekent dat voor de groepen met de minste kansen meer middelen worden uitgetrokken. In hoeverre dat tot daling van de werkloosheid zal leiden, laat hij in het midden. Hij stelt nadrukkelijk dat dat ook afhankelijk is van de economische groei. 'Het belangrijkste is tijd en rust. De politiek moet niet steeds met nieuwe beleidsmaatregelen komen', aldus De Boer. 'Dan vervalt men in de oude fout, waardoor de huidige arbeidsbemiddeling is dolgedraaid: elke drie maanden nieuwe plannen zonder te kijken waarom de vorige niet werkten.' Volgens De Boer is de politiek te veel geneigd mooie plannen op te stellen, zonder zich al te druk te maken over de uitvoerbaarheid. 'Je kunt papieren volschrijven maar daarmee heb je nog geen werkbaar plan.'

De kennis die werkgevers en werknemers in de nieuwe bestuursstructuur inbrengen, kan een belangrijke rol spelen om 'de kloof tussen droom en daad' te overbruggen, meent De Boer.

De Jeugdwerkgarantiewet (JWG) is een lichtend voorbeeld van het politieke gebrek aan realiteitszin. Die wet garandeert jongeren een baan. Schoolverlaters die na hun examen niet meteen werk vinden, worden extra begeleid. Als ze na een half jaar nog geen werk hebben, krijgen ze een baan aangeboden. De jongeren zijn verplicht om mee te werken. Wie weigert, verliest het recht op een uitkering.

De sociale partners hebben heftig tegen de werkgarantie geprotesteerd. Zij vinden dat geen beloftes kunnen worden gedaan, omdat niet zeker is hoeveel jongeren van de regeling gebruik zullen maken. Dat hangt van onzekere factoren af zoals bij voorbeeld de economische groei, waardoor het onzeker is of voldoende arbeidsplaatsen kunnen worden gecreeerd. In de Tweede Kamer is dit verzet op onbegrip gestuit.

Bezwaren

De Boer meent dat de bezwaren van werkgevers en werknemers heel reeel zijn. Volgens hem wordt al een groot beroep op het bedrijfsleven gedaan om moeilijk plaatsbare jongeren aan werk te helpen. Verreweg de meeste jongeren vinden zelf een baan. Maar jaarlijks blijven 20.000 jongeren over die niet zonder hulp werk kunnen vinden. De helft van hen moet via intensieve bemiddeling alsnog een baan krijgen in de marktsector. 'Dat valt al niet mee', aldus De Boer.

De overblijvende 10.000 schoolverlaters komen op een zogenoemde boventallige arbeidsplaats terecht volgens de Jeugdwerkgarantiewet. In principe zullen deze banen bij gemeenten worden gezocht, maar als daar niet voldoende plaatsen zijn, zal het bedrijfsleven te hulp moeten schieten. 'Stel dat die jongeren door een tegenvallende economische groei niet uit het JWG-plan verdwijnen omdat er niet genoeg gewone banen zijn. Dan heb je binnen drie jaar 30.000 jongeren in het JWG-plan zitten. Dat kan het begin zijn van een soort alternatief circuit van sociale werkplaatsen. En je moet ook de gemeenten waarschuwen dat ze in het ergste geval met twintig a dertig procent boventallige arbeidskrachten komen te zitten. Want het is toch geen reele propositie dat die ook nog eens naar de marktsector doorstromen? Daarover hoor ik niemand praten.' Maar het JWG-plan stelt het CBA niet alleen voor een praktisch probleem. Het kan volgens De Boer ook een financiele valkuil worden. 'Het kost 30.000 a 40.000 gulden om een baan volgens het JWG-plan te creeren', aldus De Boer. 'De overheid trekt 500 miljoen gulden uit voor de wet. Maar als heel veel jongeren een beroep doen op de regeling, is dat niet genoeg. Toch is de overheid niet bereid het open einde voor haar rekening te nemen. Op die manier wordt het probleem afgewenteld op de arbeidsvoorzieningsorganisatie. Waarom moeten werkgevers en werknemers de verantwoordelijkheid van de politiek overnemen? We weten helemaal niet voor welk bedrag wij ons budget daarmee belasten.' Als het aan de werkgevers en werknemers ligt, komt de werkgarantie er dus voorlopig niet. 'Zij willen er ernstig naar streven. Verder kunnen we niet gaan', aldus De Boer. 'Laten we daar eerst mee beginnen. Over een jaar of twee kunnen we dan alsnog praten over een garantie.'

Probleem

Voor het kabinet is dit een probleem omdat aan de garantie op werk het hele inkomensbeleid voor jongeren is gekoppeld. 'Je kunt wel van alles willen, maar het moet ook kunnen. Die inkomenspolitiek moeten ze dan maar even opschorten', zegt De Boer nuchter. 'Want het zou wel de 'limit' zijn als jongeren geen recht hebben op werk en ook geen recht op een uitkering. Dan wordt het jongeren pesten.'

Hij voegt daaraan toe: 'De aandacht voor jongeren begint trouwens achterhaald te worden. De grootste zorg is voor mij de groep langdurig werklozen en minderheden. Daar moet je alles op richten.' In de Tweede Kamer is herhaaldelijk gesuggereerd dat binnen de nieuwe organisatie de aandacht voor moeilijk plaatsbare groepen wel eens klein zou kunnen zijn. In de drang om te 'scoren' zouden minderheden, herintredende vrouwen en langdurig werklozen mogelijk worden vergeten. De Boer: 'Het is in hoge mate een zaak van rechtvaardigheid dat dergelijke moeilijk plaatsbaren extra aandacht krijgen. Daar ligt een morele plicht. Werknemersorganisaties zullen dat sterker voelen dan werkgevers.'

Maar, zo meent hij, ook werkgevers zullen zich er niet aan onttrekken. Dat blijkt volgens De Boer al duidelijk uit hun opstelling tot nu toe. Bovendien, zo argumenteert hij, hebben zij gezien de schaarste op de arbeidsmarkt, er meer belang bij dan vroeger om minderheden in dienst te nemen.

De CBA-voorzitter vindt het nogal goedkoop dat werkgevers voortdurend wordt verweten dat ze weinig doen voor moeilijk plaatsbare groepen. 'Vind je het echt vreemd dat vooral de kleine werkgevers zich niet het vuur uit de sloffen rennen? Ondernemers hebben een andere opdracht. Ze moeten een bedrijf leiden en winst maken. De individuele werkgever voelt zich niet aangesproken. Als je zoiets vastlegt in de CAO, dan moet je er ook een organisatie achter zetten. In de bouw en bij het beroepsgoederenvervoer gebeurt dat al, en het werkt.' De Boer erkent dat de arbeidsbureaus nog 'de zwakste schakels' zijn in de organisatie voor de arbeidsvoorziening. Maar, voegt hij daar meteen aan toe, 'dat is niet altijd de eigen schuld. Er is in het verleden een diarree van maatregelen over ze uitgestort. Dan is het geen wonder dat een cynische sfeer ontstaat. Dat cynisme moet worden doorbroken.' De Boer vindt dat meer mensen moeten worden vrijgemaakt voor de arbeidsbemiddeling zelf. 'De problematiek werd niet erkend. Dan besliste de politiek weer: hup, nog eens honderd bemiddelaars erbij, alsof je ze zo van de straat kunt halen. Als je de politiek iets kunt verwijten, dan is het gebrek aan inzicht in hoe de arbeidsvoorziening werkte en zou moeten werken.' Maar of de nieuwe arbeidsvoorziening echt een succes wordt, staat of valt uiteindelijk met de mensen die er werken, onderstreept De Boer. 'In het verleden zijn er niet altijd de goede mensen neergezet. Maar wat wil je, uitvoerend werk wordt door de Rijksoverheid ondergewaardeerd, en dus ook laag beloond. Als we met ingang van 1 januari zelfstandig zijn vallen we niet meer onder de beloningsregels van de overheid. Ik kan mij heel goed voorstellen dat het bestuur daar verandering in aanbrengt. Vooral bemiddelaars vervullen een sleutelrol in het bedrijf. Daar moeten we goed naar kijken. Want het gebeurde wel dat een werkloze bouwvakker van 44 jaar werd ontvangen door een HAVO-meisje van 19 jaar. Dat kun je geen bemiddeling noemen.'