Belbarriere

Het huis van een kennis in West-Berlijn kan ik vanuit mijn hotelkamer aan de Spree met enige fantasie zien staan. Daar tussen de Dom en het Oude Museum, voorbij de Rijksdag en de inmiddels afgebroken Muur, woont hij. Hemelsbreed nog geen vier kilometer. De snelste manier om hem te spreken was naar Bahnhof Friedrichstrasse te lopen, de S-Bahn tot Bahnhof Zoo te nemen en hem van daaruit te bellen. Het telefoonnet in de DDR stamt nog van voor de oorlog en staat sinds jaar en dag op instorten, zeker op het platteland. De gelukkige die daar, na een generatie of wat wachten, een telefoon kreeg, mocht overdag niet bellen. Dan waren de 48 automatische en 216 halfautomatische lijnen waarmee naar de Bondsrepubliek en West-Berlijn kan worden gebeld aan de staatsdienaren voorbehouden. Als het langdurig regende en er wat water in de leidingen sijpelde, was er ook 's avonds niets te verstaan. Bij de formatie van het kabinet-De Maiziere zijn enkele kandidaat-ministers van het lijstje geschrapt omdat zij telefonisch niet waren te bereiken. 'Hadden we maar postduiven', verzuchtte toen een gekwelde SPD-politicus. Maar de tijden veranderen snel in Oost-Berlijn. In de kamer van de telefonistes zetelt sinds een paar dagen boven op de tien kubieke meter grijs-ijzeren centrale een klein zwartmetalen doosje: een motorola-autotelefoon. Gisterochtend heb ik mijn kennis voor het eerst zonder behulp van paspoort, bus en benenwagen aan de lijn gehad. Het resultaat was nog niet daverend. 'Waar zit je in Godsnaam? Je klinkt of je op de maan zit!' Dat klopte wel ongeveer. De antenne bleek men dertig meter hoger op het dak van het gebouw te hebben gezet, voor een betere verbinding. Misschien zit al dat beton in de weg, opperde ik. En warempel, gistermiddag stond de motorola op een mobiel tafeltje bij de ingang, klaar voor verplaatsing richting tuin, klaar voor ongestoorde uitzending en ontvangst. Moderne postduiven houden ook al niet van betonnen muren.