9 MEI: EEN PRACHTIGE DAG

In het eerste deel van een serie over de dagen van de Duitse invalin mei 1940 beschrijft E. Boogerman, redacteur van NRC Handelsblad, de gebeurtenissen in de periode tussen het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog begin september 1939 en de inval in Nederland. Zondag 3 september l939 is in mijn herinnering blijven voortbestaan als een wat broeierige dag met grijze luchten. Mijn ouders waren in het bezit van een Hansa, een voor huidige maatstaven bizar gevormde auto met twee grote, zware deuren. Daarmee reden wij die zondag naar Bakkum, waar mijn grootmoeder woonde. De volwassenen voorin spraken op bezorgde toon over de jongste internationale ontwikkelingen, de Duitse inval in Polen en de oorlogsverklaring van Groot-Brittannie en Frankrijk. Acht en een half jaar was ik toen, mijn belangstelling voor de wereld buiten huis, school en het voetbalveld was niet groot.

Na de begroetingsplechtigheden in Bakkum liep ik de duinen in, denkend over wat mij eerder die dag ter ore was gekomen. Ook ruim 50 jaar later zie ik niet alleen dat duinlandschap nog glashelder voor mij, maar heb ik ook nog precieze herinneringen aan het sombere voorgevoel dat mij toen overviel: de die dag begonnen oorlog zou mijn prettige leventje vast en zeker gaan veranderen.

Aan het westelijk front werd aanvankelijk 'une drole de guerre', een schetsoorlog gevoerd. Wij kregen thuis het Algemeen Handelsblad; de krant begon ik als bron van spannende verhalen te ontdekken. Als een avonturenroman lazen de berichten over de - uiteindelijk succesvolle - aanval van drie Engelse kruisers in de Atlantische Oceaan op het Duitse vestzakslagschip Graf Spee. In die beginperiode was vooral sprake van een zeeoorlog. Zo was er het verontrustende bericht dat een Duitse onderzeeer erin was geslaagd de zwaar bewaakte marinebasis Firth of Forth binnen te dringen en onder meer het slagschip Royal Oak tot zinken had gebracht. Ook zie ik nog de krantefoto voor mij, met Britse matrozen die het Duitse vrachtschip Altmark in de Oslofjord probeerden te enteren.

Hitlers stem schalde in die periode nogal eens door onze radio. Mijn ouders hadden minachting voor de man, die zij beurtelings als een parvenu en een hystericus afschilderden. Eens, toen het Sieg Heil door de aether aanzwelde, hoorde ik mijn vader zeggen dat de Duitsers het niet zouden wagen ons aan te vallen. Zijn optimisme rechtvaardigde hij onder meer met een verwijzing naar het boekje 'Nederland Paraat'. De Waterlinie zou ons voor indringers beschermen, was de boodschap. Mijn ouders en de vrienden en kennissen die bij ons over de vloer kwamen, dachten dat het niet zo'n vaart zou lopen en dat Nederland - net als tussen l914 en 1918 - neutraal zou kunnen blijven. Ook meenden zij dat de Duitsers, net als in 1914, een neutraal Nederland broodnodig zouden hebben om handel met de buitenwereld te kunnen voeren. Naderhand bezien, maar dat is altijd makkelijk omdat je dan in het bezit van de feiten bent, deed ook dit Haagse milieu deed braaf mee aan 'het argeloze neutraliteitsslaapje, waarin het kabinet-De Geer het Nederlandse volk sinds september l939 gewiegd en gesust had' (Frans Goedhart in de 'Nieuwsbrief van Pieter 't Hoen', de voorloper van Het Parool). Eind augustus 1939 ging de Nederlandse regering over tot de mobilisatie van een kwart miljoen dienstplichtigen. Dat had nadelige gevolgen voor de economie; de bollenexport bijvoorbeeld kwam vrijwel tot stilstand. Omdat veel voetballers het soldatenpak hadden aangetrokken moest de KNVB inderhaast een noodcompetitie organiseren.

De door de geallieerden ingestelde blokkade van Duitsland, waarbij alle schepen dienden te worden aangehouden en doorzocht, bracht snel economische problemen met zich mee. Van voedseltekorten was echter geen sprake. Het leven in Nederland ging in die beginmaanden van de oorlog nog grotendeels zijn rustige gangetje. Ter Braak schreef op 6 september in zijn journaal: 'Ik weet niet of men ooit aan de oorlog went, maar aan de gedachte dat er ergens anders oorlog is, went men zeer snel'. Op een foto in het Algemeen Handelsblad van 5 september stond een feestelijk verlichte M. S. Oranje afgebeeld. Het trotse schip van de Maatschappij Nederland lag gereed voor zijn maidentrip naar Indie. Een enthousiaste verslaggever: 'De passagiers hadden een goed vertrouwen in de directie der rederij, die een schip zeker niet zou laten vertrekken als de reis een waagstuk zou zijn'. Het geloof in het gelijk van de leidende kringen was nog onwankelbaar. De Hollandse gezagsdragers zagen er nog ongenaakbaar uit.

De kranten van die tijd maken een halve eeuw later een nogal gezapige indruk. Nederland leek nog met een been in de l9e eeuw te staan. Indonesische nationalisten werden in de liberale pers omschreven als 'Inlanders die zich op binnenlands politiek gebied misdragen'. De Victoriaanse moraal was nog sterk verankerd. Enkele weken voor de Duitse inval wijdde de Centrale Jeugdraad een bijeenkomst aan 'de verhouding van de beide sexen'. Een spreker schetste, aldus het verslag in het Handelsblad, 'den machtigen drang van het sexueele instinct'. 'In dagen van spanning zoals we nu beleven, gaat het sexueele instict zo sterk spreken dat alle normen van moraal en fatsoen overboord worden gezet. Waar zoveel remmen losschieten, is het zaak er voor te zorgen dat de wagen niet doorslaat'.

Moraal en fatsoen, dat waren zaken die - in woord en geschrift althans - in Nederland toen hoog aangeschreven stonden.

Op 3 september had de Nederlandse regering plechtig de neutraliteit van het land uitgeroepen. Koninging Wilhelmina beklemtoonde de wil tot een volstrekt onzijdigheidsbeleid in haar troonrede twee weken later. Gevrijwaard van oorlogsgeweld bleef Nederland daardoor niet. Op 8 september liep de mijnenveger 'Willem van Ewijck' op een mijn: 29 doden. Wat later in het jaar kwam het passagiersschip 'Simon Bolivar' met een magnetische mijn in aanraking. De tol was hoog: 102 doden. Deze rampen veroorzaakten veel verslagenheid.

Op de Nederlandse kust begonnen mijnen aan te spoelen. Op 1 oktober werd een zondagsrijverbod voor auto's van kracht. In advertenties voor auto's deed een nieuw thema zijn intrede: zuinig benzineverbruik. Het publiek begon zich massaal te interesseren voor een produkt dat in vredestijd geen enkele aftrek had gevonden: gasmaskers. Als voorzorgsmaatregel werd overgegaan tot uitreiking van de distributie-stamkaart, waarmee een fundament werd gelegd voor een distributiestelsel.

Optimisme was aan de orde van de dag in politieke kringen en in de pers. Het Algemeen Handelsblad noemde de Waterlinie 'onze vriend in oorlogstijd'. Het besef dat in de moderne oorlogsvoering beter niet op zulke dubieuze vrienden kan worden vertrouwd was nog niet doorgedrongen. Het kabinet werd geleid door minister-president De Geer die heilig geloofde dat het Nederlandse volk onder geen voorwaarde ongerust mocht worden gemaakt. Het was een beleid van pappen en nathouden, herinnert de socialist Wim Thomassen (ex-burgemeester van Rotterdam) zich. De politici en de pers namen een bangige houding tegenover Hitler aan. De christelijke partijen liepen daarbij voorop, maar, aldus Thomassen, 'de sociaal-democraten deden er dik aan mee'.

Dat gold zelfs voor een uitgesproken anti-fascist als Wiardi Beckman, een man die na de Duitse bezetting tot de eerste illegalen zou gaan behoren. Op 28 september l939 zei Wiardi op een fractievergadering van de SDAP:'Zelfs niet de schijn moeten we wekken van oorlogshitsers te zijn'. Als hoofdredakteur van het Volk weigerde hij in die tijd kritische artikelen van Frans Goedhart en A. den Doolaard te plaatsen. De motivering hiervoor was dat Het Volk geen aanstoot moest geven aan het Nazi-bewind om van die zijde geen agressieve reacties tegen Nederland uit te lokken. Van der Goes van Naters, die toen net als Wiardi Beckman lid van de Kamerfractie van de SDAP was, zegt nu: 'De Nederlanders waren toen een hopeloos volk. Het calvinisme met zijn credo dat alles goed zou komen, was dominerend'. De toon van de debatten in de Kamer was uiterst voorzichtig en in de regel verhullend. De vrees voor de agressieve bedoelingen van Duitsland speelde daarbij voortdurend mee. Een gerechtvaardigde vrees, zou later blijken. Men onderschatte het misdadige karakter van het nationaal-socialistische bewind, men wilde niet geloven dat Hitler zich aan ons land zou vergrijpen. D e winter van l940 was de koud ste sinds l830. Twee maanden lang waren de waterwegen bevroren. De Waterlinie was een ijslinie geworden. Met gemotoriseerde zagen probeerde de genie gaten in het ijsvlak aan te brengen. Nog begin maart werden de Ijsselmeeroevers door kruiend ijs bedreigd.

Terwijl regering en pers zich inspanden zich zo neutraal mogelijk in het conflict tussen de grote Europese mogendheden op te stellen, heeft het in die acht maanden niet aan aanwijzingen en waarschuwingen ontbroken dat Hitler een aanval op Nederland en Belgie aan het voorbereiden was. Met name de Nederlandse militaire attache in Berlijn, majoor G. J. Sas, heeft de regering vele malen ingelicht dat het Duitse leger op het punt stond Nederland binnen te vallen. Sas had in kolonel Hans Oster, plaatsvervangend hoofd van de Duitse contraspionagedienst, een soort 'Deep throat'. Diens onheilspellende waarschuwingen bleken in eerste instantie veelal juist, maar kwamen even vaak tenslotte niet uit, zou Dr. J. G. de Beus later schrijven (De Beus was toen tweede gezantschapssecretaris in Berlijn). De relatie van Sas was wel opvallend goed ingelicht, maar zijn berichten waren niet op alle onderdelen juist. Dat heeft de geloofwaardigheid van Sas in Den Haag, waar minister-president De Geer en opperbevelhebber generaal Reynders sowieso een hekel aan jobstijdingen hadden, geen goed gedaan.

De eerste grote waarschuwing gold een voor 12 november vastgestelde Duitse aanval op Nederland en Belgie. Door slechte weersomstandigheden is die aanval toen uitgesteld. De Geer hield op de 13e november een sussende redevoering, waarin hij de gek stak met de geruchten over een acuut dreigend oorlogsgevaar. Om zijn onwankelbaar geloof in de vredelievende Duitse bedoelingen kracht bij te zetten, droeg de premier bij die gelegenheid het volgende gedichtje voor: Een mens lijdt vaak het meest Door 't lijden dat hij vreest Doch dat nooit op komt dagen.

Tussen oktober l939 en mei 1940 heeft Hitler negentien maal de datum van de aanval op het westelijk front vastgesteld, achttien maal werd - wegens slecht weer of kritiek van de Fuhrer op strategische aspecten van de aanvalsplannen - tot uitstel besloten.

De Duitse aanval op Denemarken en Noorwegen in april 1940 heeft majoor Sas wel precies weten te voorspellen. Hoewel dit de reputatie van Sas in Den Haag niet heeft kunnen helpen, heeft deze Duitse aanval bij vele Nederlanders de ogen doen opengaan. De nervositeit in het land nam toe. Met name was men bevreesd voor het bestaan van een vijfde colonne onder de NSB-ers en de 50.000 in Nederland wonende Rijksduitsers. In de Nederlandse kranten begon tussen de regels door beduchtheid voor een overval door te klinken, maar nergens werden de Duitsers met name genoemd. De hoofdartikelenschrijvers bleven tot het einde toe hun neutralistische boodschap uitdragen. Parmantigheid en nationale zelfoverschatting streden in de kolommen soms om de voorrang. Zo schreef het Algemeen Handelsblad midden april: 'De Nederlandse onzijdigheid zal naar alle zijden worden verdedigd. Geen belligerent zal ons gebied tegen een ander kunnen misbruiken zonder ons tegen zich in het harnas te jagen'. De Nieuwe Rotterdamsche Courant van 22 april verkondigde: 'De militaire maatregelen zijn van zodanige aard dat een overrompeling in de stijl van de bezetting van Noorwegen, bij ons onherroepelijk tot mislukking is gedoemd'. Onderschatting van Duitslands militaire kracht en overschatting van de eigen paraatheid waren toen bekende verschijnselen. De Nederlandse burger was er onkundig van dat het bezuinigingsbeleid van de jaren dertig een negatieve uitwerking op bijna alle krijgsdelen had gehad. In de ruim acht maanden die er tussen het uitbreken van de tweede wereldoorlog en de Duitse bezetting van Nederland lag, werd bijna zes maal zoveel aan defensie uitgegeven als in het hele jaar l938. Maar aangezien er op de internationale wapenmarkt intussen niet veel meer te koop was, kwam deze krachtsinspanning te laat.

De strategie van het opperbevel in deze voorbereidingstijd liet te wensen over. 'De meeste tijd werd (..) niet besteed aan de schietopleiding, het manoeuvreren met grotere eenheden en gevechtsoefeningen, maar aan stellingbouw', aldus de militair-historici Kamphuis en Amersfoort.

De neutraliteitspolitiek steunde op de hypothese dat de krijgsmacht over voldoende afschrikwekkende kracht zou beschikken om Nederland buiten een nieuwe wereldoorlog te kunnen houden. De vaderlandse geschiedenis had deze veronderstelling enige geloofwaardigheid verleend. De neutraliteitspolitiek had, gezien het feit dat Nederland in 1870 en later in 1914 buiten het oorlogsgewoel was gebleven, een tamelijk goede reputatie.

De uitrusting van de Nederlandse troepen in 1939-40 was zwak en de gevechtsvaardigheid gering. Er bestond een schrijnend tekort aan vliegtuigen, artillerie en munitie. Tanks hadden we helemaal niet. De militaire kleding was hoogst onpraktisch. Het groene uniform zat ongemakkelijk, de hoge kraag van de veldjas was hinderlijk. De puttees (beenwindsels) waren van ondeugdelijk materiaal gemaakt, zodat de soldaten de keuze hadden tussen het laten afzakken van dit kledingstuk en het riskeren van een belemmerde bloedsomloop

De aanleg van verdedigingswerken gebeurde op een amateuristische manier. 'Dat het zo bedonderd was, dat het geld zo inefficient werd gebruikt, hebben wij toen niet geweten', stelt Van der Goes van Naters nu vast. Dr. L. de Jong constateert een contrast tussen de visie en energie waarmee in de jaren twintig en dertig de Zuiderzeewerken werden aangepakt en de incompetentie waarmee verdedigingsstellingen werden aangelegd.

Legerbevelhebber generaal Reynders geloofde nauwelijks in de mogelijkheid van een Duitse aanval en kon zich derhalve gemakkelijk vinden in het stricte neutraliteitsbeleid van De Geer. In februari l940 werd Reynders opgevolgd door generaal Winkelman, een realist die - zeker na de Duitse bezetting van Noorwegen en Denemarken- ervan overtuigd was geraakt dat ook Nederland de dans niet zou kunnen ontspringen.

Nog luttele weken voor de Duitse overweldiging van Nederland hield De Geer een sussende redevoering: 'Er is geen sprake van dat wij met beide, laat staan met een van beide partijen vertrouwelijk zouden gaan spreken over het onderstelde geval dat de andere partij ons aanvalt'. In werkelijkheid was de situatie minder simpel. D e Enquetecommissie 'Rege ringsbeleid 1940-1945' concludeerde weliswaar in l949 dat het Nederlandse kabinet zich volledig aan zijn neutraliteitsverplichtingen had gehouden. Maar in febrauri, maart en april 1940 werden buiten het kabinet De Geer om, maar met medeweten van de ministers van defensie en buitenlandse zaken, strategische besprekingen tussen Belgische en Nederlandse militairen gehouden. Het militaire overleg met Fransen en Britten is daarentegen buiten die ministers om gevoerd. Generaal Winkelman was op de hoogte van de besprekingen die de Nederlandse militaire attache in Parijs en Brussel, overste D. van Voorst Evekink, met de geallieerde opperbevelhebber generaal Gamelin heeft gevoerd. Die contacten leverden weinig op. Generaal Winkelman is onkundig gebleven van de geheime contacten met Engeland, die werden onderhouden door vice-admiraal J. TH. Furstner, chef van de marinestaf. Admiraal Furstner zorgde ervoor dat een aantal marine-eenheden in Nederlandse wateren een verzegelde enveloppe aan boord kregen met daarin speciale zeekaarten voor de evacuatieroutes naar Engeland en gegevens over het herkenningssein van de Britse marine. Voorts wist Furstner te regelen dat de schepen die - in geval van een Duitse aanval - de nog in Nederland aanwezige goudreserve van de centrale bank moesten evacueren, op de Noordzee escorte van Britse torpedobootjagers zouden krijgen. Ten slotte kon Furstner bewerkstellingen dat - in geval van oorlog - een geheime radioverbinding tot stand zou komen tussen de marinestaven in Den Haag en Londen. Naderhand is het duidelijk geworden dat het zonder deze geheime radioverbinding voor de Koninklijke familie en voor de ministers vermoedelijk onmogelijk zou zijn geweest om tijdens de oorlogsdagen Nederland te verlaten.

Getuige uitspraken van Hitler, stonden de aanvalsplannen van Duitsland tegen Nederland al in 1939 vast. De coordinatiemaatregelen met de geallieerden kunnen alleen beoordeeld worden als uitsluitend defensieve reacties op een waarschijnlijke Duitse aanval. In geen enkel opzicht konden deze contacten een rechtvaardiging vormen voor de op 10 mei 1940 door Berlijn geuite beschuldigingen van neutraliteitsschendingen die legitimiteit aan de Duitse aanval op Nederland moesten verlenen.

H et door minister van buiten landse zaken Von Ribbentrop aangelegde dossier met 'bewijzen' van die schendingen viel in drie delen uiteen. Ten eerste ging het om een verdraaide versie van het beruchte Venlo-incident van 9 november 1939, toen twee agenten van de Britse Secret Service door de Nazi's werden ontvoerd en over de grens gesleept en waarbij een Nederlandse luitenant werd gedood die zich in het gezelschap van de Britten bevond. Die affaire had volgens de Duitsers bewezen dat de Britse geheime dienst met behulp van Nederlandse autoriteiten een aanslag op de Fuhrer had voorbereid. Verder zou de Nederlandse geheime dienst nauw hebben samengewerkt met de geheime diensten van Engeland en Frankrijk. Ten slotte voerde Berlijn aan dat Engeland en Frankrijk op 10 mei 1940 het Nederlandse grondgebied wilde gebruiken voor een aanval op het Roergebied.

Historisch onderzoek heeft aangetoond dat deze zogenaamde onthullingen over grove Nederlandse neutraliteitsschendingen niets anders dan verzinsels waren. De militaire contacten die Nederland in de winter en het voorjaar van 1940 met de toekomstige geallieerden onderhield, waren een absoluut minimum.

In de laatste weken voor de Duitse aanval hebben de gebeurtenissen zich in snel tempo opgevolgd. De afkondiging van de staat van beleg had op zichzelf weinig om het lijf, maar was kenmerkend voor de zenuwachtige stemming. Het aantal nachtelijke verkenningsvluchten van Duitse vliegtuigen boven Nederland nam scherp toe. Begin mei gelastte de regering de internering van 21 Nederlanders. Grote afwezige was de NSB-leider Mussert, die kort tevoren in een interview met een Amerikaanse journaliste had gezegd dat de Nederlandse nationaal-socialisten in geval van een buitenlandse (lees: Duitse) aanval 'niets zouden doen, alleen de armen over de borst kruisen'. Op 7 mei werden de militaire verloven ingetrokken. Verlofgangers dienden onverwijld naar hun onderdelen terug te keren. De dag daarop vermeldden de Nederlandse kranten dat Berlijn aanhoudende geruchten over een Duitse invasie in Nederland officieel had tegengesproken. In het Algemeen Handelsblad van 9 mei stond - ergens weggedrukt - een klein, ogenschijnlijk nogal onnozel bericht. Automobilisten dienden op de autosnelwegen 'de grootste voorzichtigheid te betrachten, zulks in verband met op die wegen genomen militaire maatregelen'.

Dat was een verwijzing naar een besluit van het Nederlandse opperbevel om op regelmatige afstanden vrachtauto's dwars over de weg te zetten. Men hoopte op die manier het landen van vijandelijke vliegtuigen op de autosnelwegen te kunnen verhinderen.

Die negende mei was het 's avonds prachtig voorjaarsweer. Mijn ouders namen me mee voor een autotochtje naar de boulevard in Scheveningen. Het was een onbezorgde avond. Dat ik mij de datum nog herinner en dat ik mij het prachtige voorjaarslicht van die avond nog scherp voor de geest kan halen, komt natuurlijk door de gebeurtenissen vlak daarna. Het was immers de laatste avond voor de Duitse aanval. Majoor Sas had eerder die dag het beslissende bericht van zijn Berlijnse relatie ontvangen en aan Den Haag doorgegeven: 'Hitler heeft vanmiddag de ontketening van het offensief over het hele front Nederland-Belgie-Luxemburg vastgesteld voor 10 mei bij het aanbreken van de dag. Het bevel kan nog worden herroepen, maar niet later dan 21 uur vanavond.' Die avond hebben Sas en Oster elkaar voor het laatst gezien. 'Mein lieber Freund', zei Oster met een door emotie gesmoorde stem, 'jetzt ist es wirklich aus. Es sind keine Gegenbefehle gegeben. Das Schwein ist abgefahren zur Westfront; jetzt ist es wirklich endgultig aus'. Als zovele bewoners van Den Haag werd ik de volgende ochtend vroeg door explosies en vliegtuiggeronk uit mijn slaap gewekt. Duitse toestellen waren toen de vliegvelden rondom de residentie aan het bombarderen. Een oudere broer haalde mij uit bed. Vanuit het raam in zijn kamer zag ik witte plofwolkjes van het luchtdoelgeschut en vliegtuigen in duikvlucht. 'Het zijn Duitsers', riep mijn broer opgewonden. Hij wees op Messerschmidt l09-jagers en ME 110-jachtkruisers. Die kennis had hij opgedaan in het Vliegtuigboek der Belligerenten, een fotoboek dat ik ook al met rode oren had ingekeken.

Wij renden via de zolder naar het dak, net op tijd om een Nederlandse D21-jager de vijand tegemoet te zien vliegen. Het toestel had nog slechts geringe hoogte, de piloot had witte handschoenen aan en woof naar ons. Het was een heroisch gezicht, en we kregen er een brok van in onze keel. Later las ik dat die Nederlandse piloten in hun verouderde toestellen geen schijn van kans tegen de veel beter uitgeruste Duitsers hadden gemaakt.

Voor dit artikel werd o.a. van de volgende bronnen gebruikgemaakt: Dr. L. de Jong: Deel 2 van het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, en: Tussentijds Historische studies, 1977. H. Amersfoort en P. H. Kamphuis: Mei 1940- De strijd op Nederlands grondgebied. Dr. J. G. de Beus: Morgen, bij het aanbreken van de dag.

Johan S. Wijne: Stuuf Wiarda Beckman.