PvdA consistent over Midden-Oosten

DEN HAAG, 8 mei - De Partij van de Arbeid is in de elf jaren die liggen tussen het gisteren uitgebrachte rapport 'Israel en de Palestijnen' en het in 1979 gepubliceerde 'Midden-Oosten Rapport' opmerkelijk consistent gebleven. Het vredesproces, zo staat in het jongste rapport, kan slechts tot succes leiden als de PLO erbij betrokken is. Al het andere is een illusie. Elf jaar geleden werd dat nog wat terughoudender geformuleerd, maar de inhoud was hetzelfde: er moeten wegen en middelen worden gevonden 'om de dialoog tussen Israel en de PLO te openen', want, zo vond de PvdA ook toen al: 'de Palestijnen hebben recht op een eigen land, een eigen grondgebied'. Nederland moet vanuit zijn goede relatie met Israel een kritische dialoog met de regering en de andere partijen en groeperingen voeren en er aan bijdragen dat het land - die analyse is in elf jaar gelijk gebleven - zich niet nog verder isoleert van de opvattingen van de internationale statengemeenschap. 'Israel dreigt steeds meer in het isolement te raken en dat bevordert een klimaat waarin wantrouwen groeit, aan vredeskansen wordt gewanhoopt en steeds meer op eigen kracht wordt vertrouwd', luidden die zinnen elf jaar geleden. In het nieuwe rapport, opgesteld door een commissie waarvan de voorzitter nog steeds oud-minister Van der Stoel is, staat: 'Het is van belang om juist nu de dialoog met Israel te intensiveren, mede om een isolement van Israel te voorkomen.'

Als men dat in ogenschouw neemt, doet de uitval van Israels premier Shamir gisteren in Jeruzalem tegen PvdA-fractieleider Woltgens nogal achterhaald aan en treft Shamir bovendien in de Nederlandse socialist de verkeerde persoon en de verkeerde partij. Vriendschap met Israel is onverenigbaar met vriendschap met de PLO, hield de Likud-leider de Nederlandse socialist voor. Als hij de beschikking had gehad over het gisteren in Den Haag uitgebrachte rapport, zou hij hebben kunnen lezen hoe behoedzaam in werkelijkheid de PvdA zich door het mijnenveld van de Israelisch-Arabische betrekkingen beweegt en hoeveel sympathie er voor Israel bestaat.

Het enige scherpe punt betreft het optreden van Israel in de bezette gebieden. De schending van de mensenrechten daar door Israel wordt door de PvdA 'onaanvaardbaar' genoemd; er wordt van gezegd dat zij in strijd is met de bepalingen van de Vierde Geneefse Conventie over de bescherming van burgers in oorlogstijd. Dat alles wordt niet opgeschreven zonder zeer veel begrip voor de riskante positie van Israel, de enorme wapenaanschaffingen door Arabische landen, de uitlatingen over chemische wapens door de Iraakse leider Saddam Hoessein en de zorgwekkende sociaal-economische situatie in de regio die als katalysator voor conflicten kan functioneren.

Zo nodig, aldus het rapport, moet de politieke druk op Israel wat deze optredens in de bezette gebieden betreft worden opgevoerd. 'Het kan niet zo zijn dat Israel preferentiele toegang voor zijn landbouwprodukten op de Europese markt geniet, maar de directe uitvoer van Palestijnse landbouwprodukten naar diezelfde markt zou frustreren.' Tegelijkertijd wordt Jeruzalem voorgehouden dat de EG een meer 'constructieve houding' van Israel zou moeten belonen. Nederland zou dan zelfs bereid kunnen zijn in EG-verband zich sterk te maken voor uitbreiding en verdieping van zowel de economische als politieke relatie met Israel. Aan een diep gekoesterde wens van Jeruzalem om tot de politieke dialoog binnen de Westeuropese landen te worden toegelaten zou dan duidelijk worden tegemoet gekomen.

Het belangrijkste verschil tussen de beide PvdA-rapporten zit in de rol die in het gehele proces aan Nederland wordt toegedacht. In 1979 sprak men wel van een 'bijzondere rol', maar deze werd niet erg concreet uitgewerkt. De voorstellen beperkten zich tot 'op gang brengen' en 'ernaar streven'. Deze keer komt de PvdA zelfs met een eigen 'negen punten plan', aan het einde waarvan een door internationale garanties gesteund vredesakkoord staat.

Nederland, zo staat er, lijkt goed geplaatst om op dit moment een 'katalyserende rol' te vervullen in het vredesproces. Het enige bemoedigende teken in de hele kwestie ziet de PvdA in de grote mate van informele overeenstemming tussen leden van de Israelische Arbeiderspartij en Palestijnse vertegenwoordigers van de bezette gebieden en daarbuiten. Een door de Arbeiderspartij geleide nieuwe regering verhoogt de kansen op een doobraak in het vredesproces aanzienlijk, zo staat in het rapport. Op Likudleider Shamir zal die stellingname ongetwijfeld verder 'katalyserend' werken.

Die keuze is in de Nederlandse verhoudingen inmiddels echter nauwelijks nog een typisch partij-standpunt te noemen; de meerderheid van politici en publiek ook buiten de PvdA is er zo langzamerhand wel van overtuigd dat Shamir geen goed doet aan het vredesproces. Het gesprek dat CDA-minister Van den Broek onlangs met twee Palestijnse vertegenwoordigers voerde, bewijst dat. Het PvdA-rapport is dan ook eerder een ondersteuning en een aanmoediging van en voor dat beleid dan dat men er kritiek in kan lezen.