Na G-7 nu ook rest van IMF akkoord met extra middelen

WASHINGTON, 8 mei - Na de zeven belangrijkste industrielanden zijn ook de overige lidstaten van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) afgelopen nacht akkoord gegaan met de voorwaarden voor een verhoging van de middelen van het Fonds.

Door de verhoging heeft het IMF meer middelen tot zijn beschikking om uit te lenen aan schuldenlanden en aan Oost-Europa. Ook is besloten landen met een achterstand in de betalingen aan het IMF harder aan te pakken.

Het IMF zal zo'n 60 miljard dollar (50 procent) meer geld tot zijn beschikking krijgen, zoals de zeven belangrijkste industrielanden (G-7) zondag al hadden beslist. Tot de G-7 behoren de Verenigde Staten, Groot-Brittannie, Frankrijk West-Duitsland, Japan, Canada en Italie. De verhoging zal het kapitaal van het IMF op 175 miljard dollar brengen.

Besloten is verder de statuten van het IMF te wijzigen, zodat wanbetalers kunnen worden geschorst als 70 procent van de leden dit ondersteunt. Hierdoor is schorsing geen automatisme geworden zoals de Amerikanen hadden gewenst. Bovendien is afgesproken dat de kosten van de achterstallige betalingen zwaarder op de rijke landen zullen drukken dan op de arme landen. Tot nu toe worden deze lasten gelijkelijk verdeeld.

In het compromis dat het Interim-comite, het beleidsbepalende orgaan van het IMF, afgelopen nacht bereikte hebben rijke en arme landen concessies gedaan. Het IMF krijgt minder nieuw geld dan de meeste lidstaten - waaronder Nederland - wensten, maar de harde voorwaarden die enkele landen aan de verhoging wilden koppelen zijn afgezwakt.

De Verenigde Staten eisten dat aan de quotaverhoging een regeling zou worden gekoppeld om landen die hun leningen van het IMF niet terugbetalen te schrappen als leden. Hiertegen bestond sterk verzet van de ontwikkelingslanden, die dit als een onaanvaardbare politieke vernedering beschouwden.

Bovendien wilden de VS pas in 1995 beginnen met onderhandelingen over de volgende quotaverhoging en niet al in 1993, zoals volgens de regels zou moeten. De huidige quotaverhoging had officieel al in 1988 afgerond moeten zijn, maar is twee jaar door de VS geblokkeerd.

Tegelijk met de quotaverhoging zal ook de rangorde van de eerste vijf landen in het Fonds veranderen. Groot-Brittannie en Frankrijk (nu op de tweede en derde plaats) zullen beide de vierde plaats innemen met een percentage van 5,5 procent. Op een gedeelde tweede plaats met 6,1 procent komen West-Duitsland en Japan (nu op de vierde en vijfde plaats). De derde en vijfde plaats blijven formeel onbezet. De VS behouden 19 procent.

Na het compromis tussen Frankrijk en Groot-Brittannie over de rangorde in het IMF - waarbij de Fransen concessies deden aan de Britten - ging opnieuw het gerucht dat in ruil hiervoor Frankrijk de Britse steun heeft verworven voor de Franse ambities bij de Ontwikkelingsbank voor Oost-Europa. Jean Claude Trichet, de Franse thesaurier-generaal, ontkende desgevraagd een Brits-Franse afspraak ten gunste van de Franse kandidaat voor de functie van president van de bank: Attali, adviseur van de Franse president Mitterrand. Hij zei ook dat Parijs geen kandidaat is als plaats van vestiging van de nieuwe bank.