Het gelijk van de zandhazen

IN BELGIE IS de Belastingdienst zozeer onttakeld dat de belastingopbrengsten sterk achterblijven bij wat in de meeste Westerse landen gebruikelijk is. Zover als bij onze zuiderburen mag het met de fiscus hier niet komen. Stafambtenaren van de Belastingdienst hebben in een notitie gewag gemaakt van tekortkomingen in de automatisering, personeelsvoorziening en huisvesting die zo ernstig zijn dat de staat hierdoor belastinginkomsten zal derven. De geluiden over problemen bij de fiscus zijn niet nieuw. De Belastingdienst doet pogingen het imago van stoffigheid af te leggen. Dynamiek en klantgerichtheid zijn de nieuwe parolen. Enkele jaren geleden werd hiertoe een grootscheepse reorganisatie in gang gezet. Tegelijkertijd eisten de politici dat de doelmatigheid werd verbeterd, de fraudebestrijding verscherpt en de controle geintensiveerd.

In de lagere rangen van de Belastingdienst wordt al langer geroepen dat de fiscus veel te veel hooi op de vork heeft genomen. Vanuit de Vereniging van Overheidsaccountants werd enkele maanden geleden gewaarschuwd dat de belastinginkomsten wel eens gevaar zouden kunnen lopen. De ambtelijke leiding van de Belastingdienst heeft de kritische geluiden van de eigen werknemers steeds op arrogante wijze weggewuifd. De belastingambtenaren kregen zelfs een spreekverbod opgelegd. De plaatsvervangend directeur-generaal noemde zijn werknemers 'soldaten in de modder'.

Ze klagen gedurende de strijd maar hebben niet het inzicht van de generaals die reeds zien dat de oorlog wordt gewonnen. De zandhazen blijken inmiddels het gelijk aan hun zijde te hebben. De generaals hebben van de eigen staf een brevet van onvermogen gekregen.

DE AMBTELIJKE leiding van de Belastingdienst heeft de afgelopen maanden steeds het beeld rondgedragen dat er niets aan de hand was. Ze produceerde mooi ogende cijfers over aantallen verwerkte aanslagen en controles. Dat is achteraf niet veel meer dan 'window dressing' geweest. De kwaliteit van het werk heeft kennelijk te lijden gehad onder de kwantiteit. De vraag dringt zich op of de ambtelijke leiding van de Belastingdienst het eigen falen heeft willen maskeren.

Een ding staat wel vast: aan de interne communicatie binnen de Belastingdienst schort het nogal. De ambtelijke managers hebben signalen van de eigen werknemers stelselmatig genegeerd. Er is daarom reden te twijfelen of zij de aangewezen personen zijn om de reorganisatie van een apparaat met dertigduizend werknemers tot een goed einde te brengen. De constatering in de notitie dat het bij de Belastingdienst ontbreekt aan 'moderne bestuurlijke informatiesystemen', belooft weinig goeds. OOK DE POLITICI mogen overigens bij zichzelf te rade gaan. Zij zadelden de Belastingdienst steeds weer op met nieuwe opdrachten zonder zich te verdiepen in de vraag of het apparaat de opgelegde taken wel gelijktijdig aankon.