Waigel en Pohl: Duitse monetaire unie geen onverantwoordavontuur; Duitse show van kracht in Washington

WASHINGTON, 7 mei - West-Duitsland heeft dit weekeinde zijn volle gewicht ingezet om de grote industrielanden er van te overtuigen dat de gevolgen van de Duitse monetaire eenwording op 2 juli beheersbaar zijn.

Tijdens een bijeenkomst van de Groep van zeven belangrijkste industrielanden (G-7), gisteren in Washington, hebben de Duitsers uiteengezet dat ze weten wat ze doen en dat ze het nog kunnen betalen ook. Tot de G-7 behoren de Verenigde Staten, Groot-Brittannie, Frankrijk, West-Duitsland, Japan, Canada en Italie.

Minister van financien Theo Waigel en president Karl Otto Pohl van de Bundesbank, de Westduitse centrale bank, vertoonden gisteren een opmerkelijke show van Westduitse economische kracht en zelfvertrouwen. De risico's van inflatie en stijgende rente worden in het buitenland overdreven. De begroting kan een stootje hebben en in West-Duitsland is voldoende kapitaal beschikbaar om de behoeften van Oost-Duitsland te dekken. 'De Groep van zeven heeft onze visie onderschreven en er was geen enkel meningsverschil dat de Duitse monetaire eenwording goed is voor de economische groei in de wereld', zei Waigel gisteravond.

De financiele markten hoeven niet bang te zijn dat de Duitse monetaire unie een onverantwoord avontuur is. 'De bezorgdheid van de financiele markten is overdreven', zei Pohl gisterochtend. De rente stijgt, maar dat is een wereldwijd fenomeen. Het is geen gevolg van de Duitse monetaire eenwording, maar van de stijgende inflatie. Bij een hoge economische groei past een hoge rente, aldus Pohl.

De Westduitse inflatie daalt trouwens op het ogenblik. Niet iedereen is het opgevallen, zei Pohl fijntjes, maar deze is van 2,7 naar 2,3 procent gezakt. De Bundesbank zal volledige soevereiniteit krijgen over het Oostduitse monetaire beleid. Dat is een garantie dat de D-mark hard blijft.

De extra vraag naar kredieten kan gefinancierd worden zonder een overmatig beroep op de kapitaalmarkten of hogere rente, verzekerde minister Waigel zijn collega's van de Groep van zeven. Per slot van rekening bespaarden de Westduitse huishoudens vorig jaar 170 miljard D-mark en bedroegen de totale besparingen in de Bondsrepubliek 280 miljard D-mark.

Het geld dat de afgelopen jaren naar het buitenland wegvloeide moet eenvoudig naar de DDR worden gekanaliseerd. Zowel in 1988 als in 1989 belegden Westduitsers 120 miljard D-mark in het buitenland. Zodra in de DDR een particulier banksysteem functioneert zal een deel van dat geld voor investeringen naar het Oosten worden gesluisd.

In internationaal verband zal de economische eenwording tot grotere stabiliteit leiden, aldus Waigel. De invoering van de D-mark in de DDR zal leiden tot grotere importbehoeften, zowel van kapitaal- als van consumptiegoederen. Naarmate meer Westduitse goederen richting DDR gaan zal het Westduitse handelsoverschot met de EG afnemen.

Ook andere landen zullen van de nieuwe afzetmogelijkheden profiteren. Meer Duitse importen en minder exporten betekenen een evenwichtiger Duitse handelsbalans. Dat zal de stabiliteit in het EMS, het Europese stelsel van stabiele koersen, ten goede komen.

En de economie zal harder groeien. Voor dit jaar verwacht de Bondsrepubliek een groei van vier procent, volgend jaar ten minste 3,5 procent. De EG zal een half procent extra groei beleven als gevolg van de Duitse eenwording.

Tussen de minister van financien en de centrale-bankpresident was geen spoor van meningsverschil meer wat betreft de kabinetsbeslissing om een omruilkoers van een Ostmark voor een D-mark te hanteren voor lonen en besparingen. Dat gaf, betoogde Pohl, precies hetzelfde effect als de Bundesbank had gewenst met een twee-op-een ruilverhouding.

De gekozen formules voor de omwisseling van de Ostmark in D-marken weerspiegelen de economische verhoudingen, verzekerde Pohl. De Westduitse geldhoeveelheid zal met tien procent toenemen, terwijl de DDR eveneens tien procent aan de Duitse economie zal toevoegen.

De verhouding tussen de Oost- en Westduitse lonen komt na de omwisseling overeen met de verschillen in produktiviteit. Deze is drie keer zo hoog in de Bondsrepubliek en de lonen in de DDR zullen aanvankelijk gemiddeld een derde van de Westduitse lonen zijn.

Voor de Westduitse begroting betekenen de extra uitgaven voor Oost-Duitsland geen onoverkomelijke belasting. 'Een tijdelijke, beperkte verhoging van ons financieringstekort is aanvaardbaar', zei minister Waigel. Ook zonder belastingverhoging zal het extra beroep op financiele middelen vanaf 1992 weer dalen, voorspelde hij. Tegen die tijd profiteert de hele wereld van de Duitse eenwording.