Twee concerten voor piano en orkest na anderhalve eeuwuitgevoerd in Den Haag; Onbekende werken Liszt voltooid door hunontdekker

DEN HAAG, 7 mei - Zaterdagavond beleefden in de Haagse Anton Philipszaal twee concerten voor piano en orkest van Franz Liszt, beide ongeveer 150 jaar oud, een Europese en een wereldpremiere. Het ene klonk op 3 mei voor het eerst in Chicago, het andere werd nooit eerder uitgevoerd.

De Amerikaanse musicoloog Jay Rosenblatt (34) heeft zichzelf daarmee met succes een flinke hoeveelheid werk verschaft. Hij schrijft een proefschrift over de muziek voor piano en orkest van Franz Liszt (1811-1886) en hij vond in korte tijd de twee onbekende concerten die daarin niet onbesproken kunnen blijven. Het ene zou verder door het leven kunnen gaan als Pianoconcert nr. 3, het andere kreeg van Liszt zelf de titel De Profundis, en hij noemde het een Instrumentale psalm voor piano en orkest. Dit laatste werk wordt in biografieen wel genoemd, maar het is tot nu toe beschouwd als verre van voltooid. Evenals de twee bekende pianoconcerten stammen deze werken uit de jaren dertig van de 19de eeuw, toen Liszt nog geen dertig jaar oud was.

In tegenstelling tot andere vinders van zogenaamd 'herontdekte' composities van meesters uit het verleden, hoeft Rosenblatt zich niet te verschuilen achter de term 'reconstructie'. Hij hoeft zich tegenover puristen niet te verdedigen met de bewering dat het toch jammer zou zijn wanneer al die prachtige noten die overleden componisten op diverse kladblaadjes hebben achtergelaten ongespeeld zouden blijven. Het gaat bij deze muziek van Liszt niet, zoals bij de 'Tiende' van Beethoven, of als bij werk van Mahler of van Schubert, om brokstukken van een groot werk, die door een handige en ter zake kundige musicoloog aan elkaar zijn gesmeed. Rosenblatt vond tot zijn verbijstering twee vrijwel voltooide werken. 'Achtennegentig procent van de noten is van Liszt zelf,' aldus Rosenblatt. 'Alleen de dynamische tekens en de tempi heb ik moeten toevoegen. In de noten zelf bleef mijn werk beperkt tot het corrigeren van vergissingen en verschrijvingen, door de componist of door degene die het werk gekopieerd heeft. In het Derde pianoconcert bleken ruim veertig maten in de pianopartij door Liszt te zijn doorgestreept, maar die waren nog goed leesbaar. De Profundis mist een slot. Wel is in de muziek merkbaar dat het einde van het stuk nadert, het gaat nog maar om enkele tientallen maten waar Liszt om een of andere reden niet aan toe is gekomen. In het manuscript heeft Liszt daarom vier pagina's open gelaten, die hij ongetwijfeld later wilde invullen. Daarna begint een volgend werk. Hij wist dus vrij nauwkeurig hoeveel er nog moest komen.'

Fotokopieen

Rosenblatt noemt de blindheid van eerdere Liszt-forsers voor het voltooide manuscript van het Derde pianoconcert een 'comedy of errors'. Het belandde tussen dat van het Eerste pianoconcert, dat toevallig in dezelfde toonsoort (Es-groot) stond. Het concert werd door archivarissen gezien als een door Liszt niet gebruikt deel van het eerste concert. Rosenblatt: 'In Boedapest kreeg ik fotokopieen uit Leningrad in handen van hetzelfde werk, maar nu in het handschrift van een kopiist. Hier waren, naar bleek op verzoek van de componist, opzettelijk een aantal maten in de pianopartij open gelaten. Kennelijk wilde Liszt die later zelf invullen.' Toen Rosenblatt tot de conclusie was gekomen dat het een zelfstandig werk betrof, ging hij ook andere feiten nieuw interpreteren. Zo bleek Liszt in een brief uit 1839 aan een uitgever te verzoeken om toezending van drie pianoconcerten. Ergens in de tekst staat een door het flamboyante handschrift van de componist bijna onleesbaar (Duits) woord. Rosenblatt leest het nu als 'meiner', waardoor Liszt plotseling verwijst naar zijn eigen drie pianoconcerten.

Toch blijft de vraag naar de echtheid ook in dit geval van belang. Toegegeven, doorgestreepte noten van Liszt zelf zijn altijd nog beter dan door een musicoloog verzonnen passages. Maar mogen we zomaar gaan rommelen met noten die door de componist zijn afgewezen? Rosenblatt: 'Ik beschouw beide werken als snapshots uit de vroege periode van Liszt. De eerste twee pianoconcerten zijn rond 1848 door de componist zelf gereviseerd. Liszt bleef schaven en vijlen aan allang voltooide werken. De oudere versies van zijn muziek zijn daarmee echter niet minder authentiek. In de Mephistowalzer bij voorbeeld bleek enige jaren geleden dat Liszt in zijn eigen partituur een aantal maten had toegevoegd. Die zijn pas in de nieuwe Liszt-editie voor het eerst als 'ad libitum' toegevoegd. Er zijn nu dus twee alternatieven met een eigen rechtvaardiging. De keuze is aan de uitvoerder.'