Monument eert Poolse overwinning op Teutonen in 1410; Bedevaart naar Grunwald

Grunwald ligt precies halverwege Warschau en Gdansk, een tamelijk onooglijk dorp in het licht glooiend landschap van Warmie, op dertien kilometer van de snelweg. Er loopt een asfaltweg door, het dorp bestaat uit een paar huizen en wat winkels: je bent in het naburige dorp Stebark voor je er erg in hebt.

Grunwald mag onooglijk zijn, voor de Polen heeft het niettemin een magische klank. De automobilist wordt al zestig kilometer van hier op de nadering van dit dorp gewezen door middel van een rotsblok met twee rechtop staande zwaarden, en elke tien kilometer komt hij weer zo'n blok steen tegen.

Hier, in dit vriendelijke heuvelland, werd Polen ooit een grote mogendheid, een land dat voor eeuwen ging meetellen in Europa. Hier werd op 15 juli 1410 de slag uitgevochten die in de Poolse geschiedenis bekend staat als de slag van Grunwald, en in de Europese als de slag van Tannenberg, zoals het naburige Stebark indertijd heette. Niet voor niets heet de belangrijkste nationalistische organisatie van dit land, de anti-semitische club van betonkop annex filmregisseur Bohdan Poreba, naar deze slag en dit dorp: Grunwald. Het is een synoniem voor Pools nationalisme, gekoppeld aan Poolse heroiek, gekoppeld ook aan dat anti-Duitse trekje dat het Poolse nationalisme zo vaak eigen is.

Vechtjas

De slag van 15 juli 1410 tussen enerzijds de Poolse legers van koning Wladyslaw Jagiello en de Litouwse legers van zijn neef Vytautas (versterkt met wat Russische en Tataarse eenheden) en anderzijds het leger van de ridders van de Teutoonse Orde was een van de grootste, een van de langste en een van de bloedigste van de hele Middeleeuwen. Wladyslaw, een ruig uitgevallen vechtjas, was Litouwer van geboorte. Hij was als Iogaila groothertog van Litouwen en werd koning van Polen door zijn huwelijk met de zeer jonge, zeer kuise en zeer mooie koningin Jadwiga van Polen. Als gevolg van het huwelijk werden Litouwen en Polen in 1386 in een personele unie verenigd.

Die vereniging was zeer tegen het zere been van de Ridders van de Teutoonse Orde, die sinds jaar en dag in Pruisen en Noord-Polen met instemming van gans de beschaafde wereld, het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie en Rome voorop, hun best deden de barbaarse en heidense Pruisen en de niet minder barbaarse en heidense Litouwers het christendom bij te brengen, met methoden overigens die meer van doen hadden met massamoord dan met christelijke naastenliefde.

Het huwelijk van de tot Wladyslaw Jagiello omgedoopte Iogaila en de mooie Jadwiga betekende de bekering van Litouwen tot het christendom, en aangezien de Ridders in hun ijver de Pruisen toen al hadden uitgemoord verviel aldus de raisond'etre van de Teutoonse Orde in dit deel van Europa. Bovendien waren Polen en Litouwen, landen die de Ridders vaak met succes tegen elkaar hadden uitgespeeld, nu bondgenoten en dat kon alleen maar ten koste gaan van de Teutoonse belangen. Na 1386 werden jarenlang alle diplomatieke en niet-diplomatieke middelen aangewend om tweedracht te zaaien tussen de Polen en de Litouwers, een strategie die nog geruime tijd succes had, vooral door het onbetrouwbare en ambitieuze karakter van Vytautas, de regent van Litouwen. Nadat echter de Tatarenleider Tamerlane in 1399 Vytautas had verslagen en hem aldus naast enige bescheidenheid ook gehoorzaamheid aan de Poolse koning had bijgebracht, werd een gewapend treffen tussen de Ridders en de Polen onvermijdelijk.

Dat treffen vond hier plaats, in Grunwald, in juli 1410. De Polen en Litouwers brachten dertigduizend man op de been, voornamelijk infanterie, de Ridders twintigduizend, voornamelijk cavalerie. Het werd een verpletterende nederlaag voor de Teutonen. Hun leger werd vrijwel geheel vernietigd. Van alle officieren overleefde er slechts een de slag, ook de Grootmeester van de Teutoonse Orde, Ulrich von Jungingen, sneuvelde, en Marienburg, hun hoofdstad, die nu Malbork heet, werd slechts gered omdat Heinrich von Plauen er nog net in slaagde haar te versterken en omdat de Polen en Litouwers niet te ver durfden gaan uit vrees voor de wraak van de Duitse keizer en de groeiende ontevredenheid in de gelederen van hun eigen legers.

Grunwald was aldus nog niet het eind van de Orde. Het was wel het begin van het einde. Na de slag lag Pruisen open voor de Polen, maar Wladyslaw liet die kans lopen en nam slechts een smalle strook van Mazurie voor Litouwen. Voor Polen eiste hij niets.

In 1420 was het opnieuw raak, weer werden de Teutonen verslagen en weer nam Polen met geringe concessies genoegen. In 1453 begon een oorlog die dertien jaar zou duren en voor de derde keer in een Poolse zege eindigde. Ditmaal pakte Polen de Ridders hun hoofdstad af, Marienburg, dat een van Europa's grootste burchten huisvestte, en Warmie, en de kuststreek rond Gdansk. Pas toen onderwierpen de Ridders zich aan Polen, het verlies van Marienburg was hun definitieve nederlaag.

De slag van Grunwald was echter nog om een andere reden belangrijk: de nederlaag van de door heel Europa om hun bekeringsdrift geeerde maar om hun wreedheid gevreesde Ridders maakte alom diepe indruk. De Teutonen waren niet onoverwinnelijk gebleken - dat was nog niet eerder vertoond. Het verenigde Polen en Litouwen werd op slag een Europese grootmacht, Grunwald veranderde de hele machtsstructuur in dit deel van het werelddeel. In 1415 vroeg koning Hendrik V van Engeland zelfs in een brief aan Wladyslaw - de oudste bewaard gebleven brief van een Engelse aan een Poolse koning - om de 'sterke arm' van de Polen in zijn strijd tegen de Fransen. Na 1410 zou Polen driehonderd jaar op de voorgrond blijven, politiek, maar ook cultureel, en aan het eind van de vijftiende eeuw strekte het rijk van de Jagiellonendynastie zich zelfs uit van de oevers van de Oostzee tot die van de Zwarte en van de Adriatische Zee en besloeg hun gebied eenderde van het hele Europese vasteland.

Boekwinkel

Anno 1990 is het voornamelijk leeg in Grunwald. Aan de voet van de heuvel die het slagveld van 580 jaar geleden domineert, staat een boekwinkel van geelgeverfd hout die potdicht zit. Op de heuvel zelf een laag museumpje van natuursteen, half ingegraven in de heuvel, niet meer dan een lange gang. Kijk je door de voordeur naar binnen, dan kijk je al uit op de achteruitgang. Ook het museumpje is potdicht. Het is leeg op de heuveltop, stil en verlaten. Alleen de wind en de vogels zijn te horen. Over de velden jagen de schaduwen van wolken elkaar achterna en alleen een tractor beweegt, heel in de verte, op een zandpad.

Naast het museumpje twee monumenten. Het ene bestaat uit een groep hoge metalen masten met de wapenschilden met de Poolse adelaar en de Litouwse ridder. Ernaast staat een uit 1960 daterende vierkante stenen zuil met twee riddergezichten die elk een andere kant uitkijken. Ze beelden de dappere Pool en de dappere Litouwer uit, twee socialistisch-realistische koppen met zware jukbeenderen en zware, platte neusvleugels en dikke lippen. Ze kijken boos onder hun stenen vizier over het glooiende heuvelland uit, ze kijken al dertig jaar mokkend, hoewel ze daar geen reden toe hebben, want ze hebben tenslotte gewonnen, 580 jaar geleden.

In Stebark ademt veel Grunwald. Op een winkel hetzelfde symbool van de twee zwaarden en het jaartal 1410. Boeken? Souvenirs? Nee, een kruidenier. Op een hoek het enige restaurant, 'zapraszamy', welkom, zegt een bord. Het is binnen als Grunwald zelf: leeg en verlaten. Een in haar rust gestoorde juffrouw somt boos het menu op, ze is er snel mee klaar: krupnik heeft ze, groentesoep met grutten. Dat is het. We gaan verder.

De Teutoonse Orde bestaat nog steeds, in Duitsland. De Ridders hebben zich onlangs bij de Polen gemeld met het verzoek hun de vesting van Malbork, het oude Marienburg, te verkopen. Maar een half millennium na de ondergang van de Teutoonse Ridders moet de regering in Warschau daar nog even over nadenken.