Lot van OV-kaart studenten baart In 't Veld zorgen

ROTTERDAM, 7 mei - 'De Nederlandse Spoorwegen zijn de grote boosdoener. Ze gedragen zich niet steeds volgens de regels van het 'te goeder trouw uitvoeren van het contract'.'

De man die de OV-jaarkaart voor studenten heeft bedacht, de Rotterdamse bestuurskundige prof. dr. R. J. in 't Veld, praat met enig misnoegen over het lot van zijn geesteskind.

Volgens het contract tussen minister Ritzen (onderwijs) en de vervoerbedrijven moet de kaart op 1 januari 1991 worden ingevoerd. Morgen neemt de Eerste Kamer een beslissing over het betreffende wetsvoorstel. Met het contract is een bedrag gemoeid van ruim 400 miljoen gulden per jaar.

Het was In 't Veld die in maart 1988 op het idee kwam de ingewikkelde regeling voor de reiskosten van thuiswonende studenten te vervangen door een jaarkaart voor het openbaar vervoer voor alle studenten. Als leider van het 'crisisteam' dat in de eerste helft van 1988 orde op zaken stelde bij studiefinanciering in Groningen (de huidige Informatiseringsbank), wilde hij het complexe stelsel van studiebeurzen vooral sterk vereenvoudigen.

Moeizaam

Echt soepel is het sindsdien niet gegaan met de openbaar vervoerskaart. De onderhandelingen met de vervoerbedrijven verliepen moeizaam. De bedrijven stapten op, maar kwamen na een week weer aan de onderhandelingstafel terug. Later was druk van de minister van verkeer en waterstaat nodig om de NS 'bij de les' te houden. In de publieke discussie bleek veel weerstand te bestaan tegen het verplichte karakter van de kaart.

In 't Veld wijt dat aan 'de vrijbuiters-mentaliteit van het Nederlandse volk.' 'Verplicht gebruik van een collectieve voorziening wordt op voorhand afgewezen. Er heerst de geest van 'het zal wel niets worden', en dan wordt er vervolgens alles aan gedaan om het inderdaad ook niets te laten worden. Terwijl niet wordt beseft dat een groep van zo'n 500.000 uitkeringsgerechtigden - en studiefinanciering is een sociale uitkering - haar machtspositie moet en kan gebruiken. Dat is hier gebeurd, want de openbaar vervoerskaart is buitengewoon goedkoop.' In 't Veld erkent 'dat we niet goed hebben uitgelegd dat het verplichte karakter van de kaart onontkoombaar is'.

'Als we de studenten hadden laten kiezen, was het contract per student twee keer zo duur geworden. Dat had weer geleid tot een hogere bijdrage van de student, waardoor er minder kaarten zouden zijn afgenomen. En zo verder. Het zou dus niets zijn geworden.' Ook de tijd werkt niet in het voordeel, meent In 't Veld. 'Begin 1988 gold nog als paradigma dat niemand het openbaar vervoer in te krijgen was. Dat is nu volledig omgeslagen. Dat is goed, want een grote mobiliteit is een uiting van grote rijkdom. Maar het antwoord van de NS op die ontwikkeling is dat zij de studenten uit de trein willen houden omdat ze nu duurdere klanten kunnen krijgen.'

Capaciteit

De problemen van de NS zijn niet echt capaciteitsproblemen, concludeert In 't Veld. 'De NS werken er in elk geval niet hard aan hun capaciteit op korte termijn te vergroten. Het is toch opmerkelijk dat ze zeggen dat het vier, vijf jaar duurt voordat nieuwe dubbeldekstreinen kunnen worden geleverd. Dat is bijna even lang als de Tweede Wereldoorlog. En het is al even opmerkelijk dat ze nog niet serieus hebben geprobeerd bussen in te schakelen. Misschien willen ze dat wel niet omdat ze bang zijn dat ze dan echt klanten kwijt raken. Als een bus bijvoorbeeld studenten in veertig minuten van het Centraal Station in Den Haag naar de Erasmus Universiteit in Rotterdam zou brengen, wordt dat een groot succes. Want nu zijn ze met het gedoe met trein en metro vaak meer dan een uur kwijt.' De politiek zou er iets aan gelegen moeten zijn het project tot een goed einde te brengen, meent de bestuurskundige. 'Al was het alleen maar omdat zo waarschijnlijk een groot deel van die 'halve lijken' waarin veel studenten rijden van de weg verdwijnen. Bovendien kun je niet, zoals in het parlement gebeurt, zeggen dat je voor internationalisering bent en dat studenten naar het buitenland moeten, maar het hen op hetzelfde moment moeilijker maken om in eigen land bij andere instellingen rond te kijken. Voor problemen met de invoering hoeven ze echt niet bang te zijn. Ik ken geen informatiseringsproject dat zo goed is voorbereid als dat van het bedrijf dat straks deze kaart moet invoeren.'