Hulp aan Nepal was groot fiasco

KATHMANDU, 7 mei - Nepal is vermoedelijk het enige ontwikkelingsland dat consequent meer hulp heeft ontvangen dan het heeft gevraagd. Zelfs landen met een klein budget voor ontwikkelingssamenwerking stuurden - soms doelloos - geld en goederen naar de Himalaya-staat. Veel van de hulp kwam niet terecht bij de straatarme bevolking, maar verdween in de koninklijke kas.

De straten van Kathmandu zijn tegenwoordig gevuld met Japanse trucks. Men kan de namen van ten minste honderd particuliere of officiele hulporganisaties voorbij zien komen. Waarom is Nepal zo geliefd bij hulpverleners? Een van de redenen is het drama van een land waar de maatschappelijke en ecologische afbraak zo duidelijk zichtbaar is tegen een adembenemend natuurlijk decor. De duizenden toeristen die door de bergen trekken zijn in de dorpen getuige van bittere armoede en van de aanslagen op het broze alpine ecosysteem. De 17 miljoen Nepalezen, die onder zware omstandigheden in hun levensonderhoud moeten voorzien, behoren met een inkomen van 170 dollar per hoofd van de bevolking per jaar tot de armste volkeren ter wereld, maar staan bekend als vriendelijke, hardwerkende, eenvoudige mensen. Het archaische bestuurssysteem leek wonderwel in harmonie met het volk te zijn.

Drie weken geleden kende Nepal nog een paternalistische monarchie onder leiding van een in het Shangri-La-paleis verschanste 'god-koning', in combinatie met panchayats (raden), een vorm van volksvertegenwoordiging die garant leek te staan voor een zekere mate van basisdemocratie. De meer autoritaire aspecten van het regime werden door donorlanden gezien als een feodaal rudiment, dat noodzakelijk was in dit traditionele land. Het autoritaire systeem verschafte een zeker mate van stabiliteit die noodzakelijk werd geacht voor economische groei. De democratische omwenteling van vorige maand heeft duidelijk gemaakt dat deze interpretatie op belangrijke punten onjuist was. De gewelddadige onderdrukking herinnerde de buitenwereld eraan dat het koninkrijk al jaren een slechte staat van dienst had op het gebied van de rechten van de mens. Wat de democratische beweging ook aantoonde was de ingebouwde corruptie van het systeem dat in de loop der jaren een verfijnd instrument ontwikkelde om buitenlandse hulp weg te werken.

Aangezien alle hulp de departementen of - erger nog - 'koninklijke' commissies moest passeren, was het betrekkelijk eenvoudig fondsen te verduisteren, beginnend op lokaal niveau, via de districten naar de ministeries om uiteindelijk uit te komen bij de echte begunstigden: een handjevol machtige mensen op sleutelposten in ministeries en in het koninklijk paleis.

Er bestonden wel vermoedens van corruptie. Accountantsrapporten toonden aan dat slechts 20 procent van het in Nepal geinvesteerde geld op de eindbestemming kwam, de rest verdween door dubbele facturen, fictieve diensten en niet bestaande voorraden. Maar de corruptie kon nooit goed worden aangepakt, want in deze tweede werkelijkheid van Nepal drongen Westerse experts zelden door en wanneer een enkeling begon te begrijpen hoe de vork in de steel zat, zat zijn diensttijd erop.

De duidelijkste indicatie van verkwanselde middelen is de lage produktiviteit van de hulp. Over de afgelopen dertig jaar is gemiddeld 550 miljoen dollar per jaar verstrekt door buitenlandse donoren. De resultaten zijn bedroevend. De Wereldbank schreef vorig jaar in haar rapport 'Social Sector Strategy Review' dat minder dan dertig procent van de huidige bevolking in Nepal over een toereikend voedselpakket beschikt. Westerse donoren hebben Nepal verblijd met prachtige infrastructurele maatregelen zoals bruggen, wegen en irrigatiekanalen, maar de invloed daarvan op de essentie van het leven: gezondheid, eten, onderdak, onderwijs en arbeid, is beperkt. Bovendien zijn duizenden sociale projecten uitgevoerd waarvan de uitkomst vrijwel nihil is. Er bestaat daarom de sterke verdenking dat veel van de hulpfondsen zijn opgeofferd aan een autoritaire regime dat geen democratische controle toestond.

De democratische omwenteling, die aan het panchayat-systeem, maar (nog) niet aan de absolute monarchie een einde maakte, zou een keerpunt kunnen zijn voor de rol van buitenlandse hulporganisaties in Nepal. De donoren zullen nu kritisch moeten kijken naar de 'neutrale' rol die ze altijd zouden hebben gespeeld. De excessen die de overheid de afgelopen maanden beging om de oppositie te breken konden door de hulpverleners moeilijk over het hoofd worden gezien: het gebruik van de (internationaal verboden) dum-dumkogels door de politie gebeurde voor hun eigen ogen. De staf van de organisaties was soms zelf blootgesteld aan ruwe behandeling en marteling.

Het concept van hulpverlening in Nepal zal nu op de helling worden gezet. De nieuwe regering Bhattarai wil dat Nepal niet meer hulp krijgt dan het administratief en technisch kan verwerken en heeft de Wereldbank daarvan al in kennis gesteld.