Gestoord

De afgelopen winter zag ik op klaarlichte dag in een druk winkelcentrum een vrouw van middelbare leeftijd lopen, naakt, op een kort broekje na. Ze liep barrevoets langs een aantal mensen die, aan de grond genageld, naar haar bleven kijken terwijl ze zich met starende blik verwijderde. Het was alsof je naar een schilderij van Willink stond te kijken: Mathilde in de Vossiusstraat. Bizar, vervreemdend, onheilspellend.

Je ziet tegenwoordig vaak geestelijk gestoorde mensen op straat rondlopen. Met wat er rondhangt op bij voorbeeld het Centraal Station in Amsterdam en Hoog Catharijne in Utrecht kan gemakkelijk een royale vleugel in een psychiatrisch ziekenhuis gevuld worden. Het gaat niet meer alleen om de gewone zwerver, van wie je nog zou kunnen zeggen dat hij voor zo'n bestaan gekozen heeft. Nee, het gaat vaak om zwaar psychotische mensen die in een toestand van volstrekte ontreddering ronddolen. Ze eten uit vuilnisbakken en belanden in tehuizen voor daklozen waar ze niet thuishoren. Waarom krijgen ze niet de zorg die ze verdienen? Stel die vraag aan de mensen in 'het veld' van de geestelijke gezondheidszorg, en je krijgt te horen dat het aan 'de overheid' ligt en vooral: aan 'het geld'. Want alles ligt altijd aan het geld. Er gaan enorme geldstromen naar de inrichtingen, de RIAGG's, de crisiscentra, maar het is nooit genoeg. Zou al dat geld wel goed besteed worden? Daar schijnen ze bij de RIAGG's ook wel eens over te twijfelen. Zo las ik in een kritisch pleidooi voor een professionelere RIAGG in de jaren negentig door RIAGG-medewerker J. Brinkman: 'Het werken in dienstverband verschaft een gegarandeerd inkomen ongeacht de werkprestatie. De veelgeprezen eigen professionele verantwoordelijkheid is op deze manier gemakkelijk verdiend.'

(In het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid).

Bureaucratische vervetting - dat lijkt me het grootste gevaar voor dergelijke instanties. We hebben er niet alleen in Nederland last van. Neem de zaak van Adelheid Streidel, de vrouw die een aanslag pleegde op Oskar Lafontaine. Ze lijdt al ruim tien jaar aan paranoide psychose. Der Spiegel onthulde dat haar zus Irene in januari van dit jaar het kantongerecht had gevraagd Adelheid onder haar curatele te stellen. Adelheid had in december vorig jaar een zelfmoordpoging gedaan en ze was, volgens Irene, ook een gevaar voor anderen geworden. Het kantongerecht vond het wenselijk dat de plaatselijke gezondheidsdienst Adelheid nog eens goed zou onderzoeken. Drie maanden later kwam deze gezondheidsdienst met het voorstel om een aanvullend psychiatrisch advies over Adelheid te laten opstellen. En pas op de dag van de aanslag kreeg de psychiatrische kliniek, die dit advies moest uitbrengen, het dossier-Streidel toegestuurd.

Dit is de wereld van de hulpverlening in full swing: het eindeloze uitstellen, het afwentelen van de beslissing op een andere instantie, kortom het ontwijken van de 'veelgeprezen eigen professionele verantwoordelijkheid'. Wie geestelijk gestoord raakt, mag hopen dat een goede vriend of familierelatie zich over hem ontfermt. Zo herinner ik me een ontmoeting in een cafetaria met een oudere dame die ongevraagd aan mijn tafeltje kwam zitten, terwijl ze op luide, apodictische toon zei: 'Mijn vader heeft vreselijke pijn gehad. Ik kon het niet met mijn ouders vinden, maar het is waar dat hij ontzettend heeft geleden. Hij zei op het laatst: 'Alleen het leven is nog erger'.' Daar had ik weinig tegen in te brengen. Ik had er ook niet veel behoefte aan, want ze doorboorde me met woeste blikken. Aan de tafeltjes om me heen klonk onderdrukt gelach. Toen voegde zich een man van een jaar of veertig met een onopvallend uiterlijk bij ons. 'Laat die meneer nou even rustig eten, moeder', zei hij kalm. 'Maar eerst moet hij met het geld over de brug komen', antwoordde ze.

Hij knikte en haalde een papiertje uit de zak van zijn colbert, dat hij met de soepelheid van een goochelaar naar me toeschoof. Ik las in blokletters: ' ALZHEIMER'. Een liefhebbende zoon.