'Laatste kans' schadevergoeding Japan

ERMELO, 5 mei - 'Juridisch staan we vrij zwak, maar wie niet waagt zal niet winnen', zegt voorzitter S. A. Lapre van de Stichting Japanse Ereschulden. De vorige maand opgerichte en deze week gepresenteerde stichting wil 'Japan ervan doordringen dat men op mensenrechtelijke gronden een ereschuld' heeft jegens de mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangen hebben gezeten in Japanse kampen.

Honderden telefoontjes heeft hij de afgelopen dagen gehad van militairen en burgers die in Japanse gevangenschap hebben gezeten. 'We kunnen niet garanderen dat het lukt, maar het is waarschijnlijk onze laatste kans op financiele genoegdoening en het tij lijkt gunstig', zegt Lapre, zelf majoor b.d. van het voormalige Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger en van de Koninklijke Landmacht.

Het optimisme ontlenen de initiatiefnemers aan het succesje dat een Canadese zusterorganisatie begin maart in de Commissie voor de rechten van de Mens van de Verenigde Naties boekte. Deze commissie nam een motie aan waarin secretaris-generaal Perez de Cuellar van de VN wordt verzocht alle benodigde bijstand te verlenen om de Japanse schendingen van de mensenrechten tijdens de Tweede Wereldoorlog nader te onderzoeken en te documenteren. 'Bij de Canadezen hebben zich inmiddels Amerikaanse, Australische en Britse organisaties van ex-gevangenen aangesloten, waardoor de zaak voor de VN wellicht meer gewicht krijgt', zegt Lapre.

Maar ook als de motie komend najaar steun krijgt in de Algemene Vergadering van de VN, dan nog geeft dat geen uitzicht op enige financiele tegemoetkoming van Japanse zijde, beseft de voorzitter. De VN kan een land immers niet dwingen schadevergoeding te betalen. Niettemin is er volgens hem 'de plicht' aansluiting te zoeken bij de Canadese claim. Daartoe verzamelt de Stichting Japanse Ereschulden, tegen betaling van dertig gulden, schadeclaim-formulieren in. 'We wekken geen valse hoop. De kans dat het lukt is klein, maar het is waarschijnlijk de laatste kans op financiele genoegdoening voor de duizenden directe en indirecte slachtoffers van de Japanse overheersing. We zijn op z'n minst verplicht ons daarvoor in te zetten.' De Japanse regering heeft betaling van smartegeld aan krijgsgevangenen en geinterneerde burgers altijd afgewezen. Men beriep zich op het Vredesverdrag van San Francisco uit 1951. Daarin wordt weliswaar erkend dat Japan herstelbetalingen behoort te verrichten voor 'schade en leed' welke in de oorlog werden toegebracht. Maar tevens wordt gesteld dat het Japan op dat moment (1951) aan de middelen ontbreekt om dergelijke betalingen te doen.

Nederland maakte een tweeledig voorbehoud bij het verdrag: de Nederlandse regering kon niet garanderen dat particulieren van schadeclaims zouden afzien en ging er verder van uit dat de Japanse regering op basis van vrijwilligheid bepaalde soorten particuliere claims wel in behandeling zou nemen. Dit laatste voorbehoud is volgens Lapre in 1956 gehonoreerd toen Japan na ingewikkelde onderhandelingen tien miljoen dollar (toen 38 miljoen gulden) smartegeld voor ex-geinterneerden uitkeerde.

Het eerste voorbehoud staat volgens de voorzitter formeel nog recht overeind. 'Japan heeft zich tot dusver steeds verscholen achter het Verdrag van San Francisco, maar dat is in feite door de werkelijkheid achterhaald. Niemand kan toch nu nog volhouden dat Japan geen geld voor het betalen van schadeclaims zou hebben. Het behoort tot de rijkste landen ter wereld.'

De Nederlandse stichting sluit zich wat betreft de hoogte van de claims aan bij de Canadezen. Die eisen voor elke dag die in Japanse gevangenschap werd doorgebracht tien dollar.

Lapre: 'Ons wordt vaak gevraagd: waarom laten jullie dat de Nederlandse regering niet opknappen ? Maar dat willen we niet. De handelsbetrekkingen met Japan zijn goed en de goede diplomatieke relatie mag niet door de kwestie van de Japanse ereschuld worden verstoord.' In de Japanse kampen in het voormalig Nederland-Indie zaten volgens de officiele cijfers 99.840 burgers geinterneerd (van wie er 12.542 omkwamen) en 41.000 militairen van KNIL en Koninklijke Marine (van wie er 8500 omkwamen).