Ketters geluid van ex-topman Wereldbank: Wanbetaling goedvoor Zuid-Amerika

ROTTERDAM, mei - Latijns Amerika moet zijn schuldbetalingen stopzetten. Op een verzoeningsgezinde manier, in overleg met zijn krediteuren en met steun van de internationale financiele instellingen. Het is een ketters geluid: want ook zonder ruzie betekent stopzetting van de betalingen nog altijd wanbetaling.

Toch is het voorstel afkomstig van een bankier. David Knox, voormalig vice-president van de Wereldbank, meent dat Latijns Amerika geen andere uitweg heeft uit de schuldencrisis, die de economische ontwikkeling van het continent sinds 1982 verlamt.

Voor een bankier heeft Knox nog meer ketterse ideeen. Niet alleen de particuliere banken moeten hun vorderingen op Latijns Amerika wegstrepen, ook de officiele crediteuren - de overheden en internationale financiele instellingen - moeten een deel van hun vorderingen afschrijven. Dat is tot nu toe alleen maar toegestaan voor de armste landen in Afrika, maar volgens Knox moet het ook gebeuren voor de Latijns-Amerikaanse landen.

Dit weekeinde hebben in Washington de halfjaarlijkse vergaderingen plaats van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank. Het schuldenprobleem van de Derde wereld staat, zoals ieder half jaar sinds 1982, op de agenda.

De officiele strategie die beide instellingen vorig jaar hebben omhelsd, is gebaseerd op de voorstellen van de Amerikaanse minister van financien Brady. Het Brady-plan voorziet in het gebruik van extra geld van het IMF en de Wereldbank om banken te bewegen tot vrijwillige schuldvermindering. Alleen Mexico, de Filippijnen, Costa Rica en Venezuela hebben met de banken akkoorden voor schuldvermindering a la Brady bereikt.

Volgens een intern rapport van het IMF en de Wereldbank, dat komende week besproken wordt, is deze Brady-strategie min of meer vastgelopen omdat de feitelijk de schuldvermindering teleurstellend is. David Knox combineert in zijn studie orthodoxe en onorthoxe alternatieven voor de Brady-strategie. Hij is voorstander van harde economische aanpassingen in de schuldenlanden zelf, zoals het IMF en de Wereldbank van deze landen eisen. Sanering van het economische beleid in Latijns Amerika blijft onvermijdelijk, meent hij.

Daarnaast moet de schuldenlast veel meer verminderd worden dan met het Brady-plan mogelijk is. Nu ontvangt Latijns Amerika jaarlijks ongeveer negen miljard dollar aan nieuw geld, maar stroomde tussen 1986 en 1988 gemiddeld 32 miljard dollar naar het buitenland in de vorm van aflossingen, rentebetalingen en winstoverboekingen. Voor herstel van de economische groei is het nodig deze netto-aderlating van 23 miljard dollar te verminderen tot ongeveer vijf miljard dollar per jaar, rekent Knox uit.

Dat betekent een vermindering van de aflossingen en rentebetalingen aan de particuliere banken met 70 tot 80 procent, of, als ook de officiele crediteuren worden meegerekend, met 50 a 60 procent. Dit is nooit met vrijwillige schuldvermindering te bereiken en is slechts mogelijk door de betalingen grotendeels stop te zetten.

Eenzijdige stopzetting van alle betaling is in de eerste jaren van de schuldencrisis verrassend weinig voorgekomen. Aanvankelijk ging het om enkele kleine landen, zoals Bolivia, Guyana en Nicaragua. Venezuela schortte zijn betalingen enkele keren op en in 1985 volgde Peru. Februari 1987 besloot Brazilie, het grootste schuldenland van de Derde wereld, tot opschorting, maar een jaar later werden de betalingen weer hervat.

De reden dat de schuldenlanden niet gekozen hebben voor confrontatie, is volgens Knox dat ze zich niet willen loskoppelen van het internationale financiele stelsel. Ze zijn door de banken en financiele instellingen onder druk gezet, ze zijn bang voor de gevolgen van eenzijdige actie, hopen met goed gedrag op een gunstige behandeling en willen hun laatste greintje internationaal aanzien niet verliezen.

In 1988 en 1989 veranderde het gedrag van de schuldenlanden en nam de lijst van wanbetalers toe. Twee grote landen, Argentinie, Brazilie, alsmede Costa Rica, de Dominicaanse Republiek, Ecuador, Guyana, Honduras, Nicaragua en Peru voldeden niet aan hun verplichtingen.

Het gevaar dat wanbetaling door de schuldenlanden zal leiden tot ineenstorting van het Westerse bankwezen, zoals in 1982 werd gevreesd, is volgens Knox geweken. De banken hebben hun voorzieningen voor stroppen op schuldenlanden inmiddels drastisch verhoogd. Ze hebben hun uitstaande leningen voor een deel van de hand gedaan. Bovendien hebben ze hun eigen vermogenspositie uitgebreid, zodat de portefeuille Derde wereldleningen als percentage van het eigen vermogen sterk is gedaald.

De Wereldbank en het IMF moeten volgens hem bij de stopzetting van schuldbetaling een adviserende rol spelen. Als het economische herstel inzet, zullen de buitenlandse investeringen in Latijns Amerika weer aantrekken en zullen ook de miljarden vluchtkapitaal van vermogende Latinos weer terugkeren, verwacht hij. 'Er is geen aangename manier om een schuldenprobleem op te lossen', besluit Knox. 'Maar het is tijd te aanvaarden dat de huidige crisis niet langs vrijwillige weg zal worden opgelost. Een oplossing moet worden afgedwongen en alleen de schuldenlanden kunnen dat doen. De taak voor de diplomatie is om dit zo verzoeningsgezind te laten verlopen als mogelijk is. Het alternatief is dat hetzelfde op een schadelijke manier gebeurt. Niemand wenst dat.' David Knox: Latin American Debts, facing facts; Oxford International Institute 1990