Een briefkaart uit Auschwitz

Tussen de tentoongestelde persoonsbewijzen en de reisdocumenten van een aantal overlevenden uit Auschwitz lag een montere briefkaart die me waarschijnlijk niet was bijgebleven als ik de afzender niet had gekend - en niet had geweten dat zij was verzonden uit het concentratiekamp kort nadat de Russen dat hadden bevrijd.

De briefkaart had ongeschonden haar bestemming bereikt: de afzender had haarin het voorjaar van 1945 aan een nicht in Amersfoort gestuurd, de enige van zijn familie die door de Duitsers ongemoeid was gelaten omdat ze gemengd gehuwd was. Het handschrift op de briefkaart getuigde van een evidente levenskracht, maar dat was niet het meest opvallende aan de briefkaart. Ook de mededeling zelf trok niet het eerst de aandacht, want de afzender had zijn best gedaan het verhaal over zijn bevrijding even kort als sober te vertellen. Over zijn ouders kon hij niets melden omdat hij omtrent hun lot niets wist. 'Ik hoop dat jullie het allen goed maakt, met mij gaat het goed.' Het leek een briefkaart zoals er al miljarden over de wereld waren gegaan. Een levensteken aan een ver familielid in de categorie huis-, tuin- en keukenberichten - zeldzaam (want de meeste post van de Haftlinge werd in Auschwitz nooit verzonden maar rechtstreeks vernietigd), maar zo prozaisch geformuleerd dat je gemakkelijk over de essentie heen las. Van uitbundigheid was geen spoor te vinden, evenmin een aanwijzing van de ellende die de schrijver had doorstaan. Het bijzondere van de briefkaart bleek alleen uit de plaats van herkomst: KZ Auschwitz. Zij was na de bevrijding van Auschwitz verzonden, maar op een datum waarop de wereld nog onwetend was van wat in de concentratiekampen was gebeurd.

Het kostte me moeite te onthouden wat op de briefkaart stond doordat ik mij enigszins gegeneerd voelde, alsof ik mij aan een indiscretie schuldig maakte. Het gevoel bekroop me iets te hebben gelezen dat eigenlijk niet gelezen mocht worden. Het was weliswaar een historisch document, dat trouwens voor iedereen te kijk lag, maar de afzender was niet alleen een bekende voor mij, maar ook een vriend. Herman M. Voor de museumvitrine waarin de briefkaart was tentoongesteld, zag ik mijzelf ongemakkelijk-nieuwsgierig gebogen staan over een intiem persoonlijk document dat hij me nog nooit had laten zien.

. Het kan zijn dat dat ongemakkelijke gevoel was versterkt doordat ik zojuist een brochure van de oud-uitgever Floris B. Bakels had gelezen, een christelijk getuigenis, waarin een kervende zin over zijn gevangenschap in Natzweiler voorkwam die me niet losliet. Zolang hij in zijn werk was opgegaan (tot het einde van de jaren zeventig), had hij zijn kampherinneringen onder de duim kunnen houden, maar na zijn zeventigste jaar waren ze hem de baas geworden.

Hij werd weer in zijn slaap bezocht door de ervaringen van ruim vijfenveertig jaar geleden toen hij 'dingen had gezien die een mens niet mag zien'. Bakels raakte daar besmet door wat hij noemt het virus van de kennis van het absolute kwaad. 'Een mens behoort niet van vlakbij te zien hoe de ene mens de andere met het scherp van een spade de schedel klooft; hoe een executie door ophanging langer dan een half uur kan duren door ondeskundigheid van de beulen. Ik had dat gezien en dat kon niet zonder gevolgen blijven. Ondanks pantsering en afscherming van emoties heb ik gekeken door een opening die voor mensenogen verboden was en daar iets afgrijselijks gezien: het menselijk verderf'.

. Voordat Herman M. op zijn laatste onderduikadres in Nederland verraden werd, had hij eigenlijk al een reeks van bevrijdingen in Rotterdam meegemaakt. In zijn Rotterdamse onderduikperiode ('43 en een deel van '44 in de Klaverstraat in Charlois Rotterdam-Zuid) waagde hij zich zondagsmiddags wanneer Feyenoord in de Kuip speelde naar buiten om zich bij de menigte die te voet naar de wedstrijd ging, aan te sluiten en ongezien het stadion binnen te komen. Het voetballen was een van de laatste vormen van openbaar vertier die nog niet verboden waren en dat verklaarde het enorme gedrang bij de stadions tot diep in de oorlog. Voor en na de wedstrijden van Feyenoord zagen de straten in de buurt van het stadion zwart van de mensen, zodat die momenten een afdoende beschutting verschaften tegen herkenning en arrestatie.

Herman M. zag anderhalf jaar lang de wedstrijden van Feyenoord. De club van Zuid is sindsdien altijd zijn favoriet gebleven, wat weinig Amsterdammers hem kunnen nazeggen, en het stadion in de polder Varkenoord heeft voor hem altijd een dierbaarheid vertegenwoordigd die hij aan andere voetballiefhebbers moeilijk kan uitleggen. De onbekende historie van een destijds zeventienjarige HBS'er, afkomstig uit een orthodox joodse familie uit Winterswijk, die gedurende anderhalve competitie, onder een lichte vermomming (geverfd haar en een pet), zijn tweemaandelijkse vrijheid beleefde in het Feyenoordstadion. In Rotterdam was alles lang goed gegaan, maar op zijn volgende onderduikadres in Dordrecht werd hij gegrepen en daarvandaan op transport naar Auschwitz gesteld.

Het Feyenoordstadion - dat de oorlog vrijwel onbeschadigd doorkwam maar tenauwernood aan sloop ontkwam toen voortzetting van de exploitatie niet langer verantwoord leek - maakte tijdens de Bezetting nog een keer geschiedenis. In de nacht van 10 op 11 november 1944 sloten de Duitsers een groot deel van de 50.000 mannen die ze bij de grote razzia van Rotterdam de vorige dag van hun bed hadden gelicht, in het stadion op, voordat ze die naar Duitsland transporteerden. Ben Sijes heeft in zijn geschiedenis van die gebeurtenis honderden brieven geciteerd van mannen die uit Duitsland over die opsluiting in het stadion naar huis schreven. 'De hele nacht moesten wij met 28 man in een badcel staan of op de stenen vloer liggen. In andere ruimten stonden ze zo dicht opeengepakt, dat zelfs mannen die zich niet goed voelden, niet eens konden vallen'.

. In het boek ontbreekt alleen de bizarre bijzonderheid dat zich onder die duizenden mannen ook de aanvoerder van Feyenoord en het Nederlands elftal bevond, Bas Paauwe (vorig jaar overleden) - de enige Feyenoorder die ooit een nacht in zijn eigen stadion is opgesloten.

De tentoonstelling 'Bevrijdingen, hedendaagse kunst en historische documenten' is tot 27 augustus in het Joods Historisch Museum, Jonas Daniel Meyerplein 2-4, Amsterdam te zien.

Floris B. Bakels: Dertien dagen in mei, Gouda, Kampen, 1990.

    • H. A. van Wijnen