De kleine wetenschap

Als men het in de grote wetenschap niet meer weet, gaat men te rade bij de kleine. Dat is algemeen bekend al wordt er weinig over gesproken. Ik wil het niet pijnlijker maken dan het al is, maar liever vaststellen dat kleine wetenschappers niet stilzitten terwijl de grote wetenschappers de wereld voor de gek proberen te houden met koude kernfusies en reuzenkippen.

Een poosje geleden is in de kleine wetenschap het ideale zwaaimoment ontdekt. Wie op het station een geliefd persoon uitgeleide doet, weet nu precies hoeveel seconden hij/zij voor het vertrek van de trein moet gaan zwaaien. Wie te vroeg begint te zwaaien brengt zichzelf en de wederpartij in verlegenheid. Te laat zwaaien is een oorzaak van achterdocht. Op tijd zwaaien is dus van vitaal belang voor een gunstige voortzetting van de verhouding.

Maar zoals dat bij onderzoek gaat: van het een komt het ander. Het zwaaien op zichzelf bleek veel ingewikkelder dan aanvankelijk werd aangenomen. Om dat nader uit te zoeken, laten de Spoorwegen op het ogenblik op twee parallelsporen experimentele treinen rijden, telkens twee die uit het Amsterdamse Centraal Station gelijktijdig vertrekken - in dit geval de ene naar Maastricht en de andere naar Groningen - en het andere paar dat een paar kilometer voor station Leiden bij elkaar komt en dan gelijk op rijdt.

De kleine wetenschap heeft nu kunnen vaststellen dat de passagiers in die parallel rijdende treinen, mensen die elkaar voor het eerst in hun leven zien en misschien ook voor het laatst, elkaar vriendelijk, een beetje verlegen-geamuseerd aankijken, en dan, als de treinstellen zich weer scheiden, naar elkaar zwaaien. Hoe komt dat? Ook in de stad gebeurt het vaak dat twee trams korte tijd een parallelle baan volgen. In Amsterdam, tussen Spui en Munt is er een zeer grote kans dat de inzittenden van lijn vier, negen of veertien al rijdend even worden geconfronteerd met de passagiers van lijn zestien, vierentwintig of vijfentwintig. Daar wordt nooit gezwaaid. Als men elkaars blik treft, kijkt men onverschillig of nors en men wendt zo vlug mogelijk de ogen weer af. Daaruit blijkt dus al dat de mens in de tram een heel andere is dan de mens in de trein. De vraag is opnieuw: hoe komt het? Waarom is de eerste soort in zichzelf gekeerd, afwerend, misschien zelfs vijandig, en de tweede open, en bereid tot het blijk geven van lotsverbondenheid? De oorzaak moet, geloof ik, niet gezocht worden in het soort vervoer, niet in het verschil tussen trein en tram als voertuig, maar in de snelheid. Als in het station twee treinen naast elkaar stilstaan, haalt niemand het in zijn hoofd om naar een passagier in een coupe op het andere spoor te zwaaien. Men kijkt elkaar aan - indien men dat al doet - alsof men in de tram zat. In onze beschaving ontwikkelt het langdurig uitwisselen van blikken tussen vreemden zich onvermijdelijk tot een krachtmeting of een andere vorm van intimiteit. Geen van beide wordt gewenst - ' men kan nooit weten' - en daarom kijkt men voor zich.

Maar in wezen is de mens eenzaam. Hij wil die toestand opheffen, maar liefst zonder er de gevolgen op langere termijn van te dragen. Die kans wordt hem geboden in de trein als die voor korte tijd met betrekkelijk hoge snelheid naast een andere trein rijdt. Dan, terwijl hij of zij weet dat de gevolgen beperkt zullen blijven, geeft hij toe aan haar verlangen en zwaait. Het is de kortste opbaring van wat we vroeger het menselijk tekort noemde.

Dit stukje is geschreven voor de jonge doctor Ab Proper die op 3 mei in Amsterdam is gepromoveerd. Staatszaken beletten de schrijver, het hierboven geformuleerde vraagstuk met zijn oplossing nader uit te werken.

De kleine wetenschap (5)

za 549