Verhoging brutoloon levert ook netto altijd meer op

DEN HAAG, 4 mei - Verhoging van het bruto-inkomen leidt altijd tot een hoger netto-inkomen. Het is puur theorie dat hogere belasting en premies, in combinatie met het wegvallen van zogeheten inkomensondersteunende regelingen, een inkomensverbetering vaak teniet doen.

Dit blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar de marginale druk in Nederland. Die druk geeft aan hoeveel iemand netto overhoudt van iedere gulden die hij meer verdient.

Vaak wordt gezegd dat vooral mensen met een minimuminkomen door een inkomensstijging uiteindelijk netto minder overhouden, omdat zij ineens het recht verliezen op allerlei inkomensondersteunende maatregelen, zoals huursubsidie, extra studiefinanciering, tegemoetkoming in de studiekosten, gratis gezinszorg, rechtshulp, etcetera. Volgens het SCP is deze daling van het netto-inkomen na een verhoging van het bruto-bedrag puur theoretisch omdat in de praktijk niemand van meer dan vier inkomensondersteunende regelingen gebruikmaakt.

Uit het SCP-onderzoek blijkt dat verlies van inkomensondersteuning in het ergste geval leidt tot een marginale druk van 40 procent. Als ook de belasting en premiedruk wordt meegerekend, is er volgens het SCP nog geen sprake van een marginale druk van 100 procent of meer. In het ergste geval houdt iemand van een extra gulden circa 20 cent over. Minder dan een procent van de huishoudens heeft echter met zo'n hoge marginale druk te maken, aldus het Planbureau.

Het SCP concludeert op basis van deze gegevens dat de stelling dat een marginale druk van 100 procent of meer het voor uitkeringsgerechtigden onaantrekkelijk maakt om te gaan werken weinig grond heeft. Bovendien, zo meent het Planbureau, hebben groepen die met hoge marginale druk worden geconfronteerd (ouderen, eenoudergezinnen en gehandicapten), zelden te maken met de arbeidsmarkt.

Het SCP heeft ook onderzocht in hoeverre de nieuwe belastingwetgeving en de basisverzekering tegen ziektekosten inkomens heeft aangetast. De groepen die in hun besteedbare inkomen worden getroffen zijn vooral te vinden onder de (on)gehuwd samenwonende 65-plussers met een inkomen tussen het minimum en modaal, en de alleenstaanden. Van de alleenstaanden moet tien procent met een inkomen op minimumniveau meer dan vijf procent inleveren.

Van de hele bevolking gaat vijf procent van de huishoudens met een inkomen op of iets boven het sociaal minimum er meer dan vijf procent op achteruit.