Rafsanjani in slangenkuil van permanente machtsstrijd

ROTTERDAM, 4 mei - In de slangenkuil van de voortdurende machtsstrijd in Iran heeft president Rafsanjani zo zijn problemen. Weliswaar slaagde hij erin na twee maanden van zware druk op Libanese ontvoerders en hun steunpilaren in Iran twee Amerikaanse gijzelaars vrij te krijgen. Maar een oproep van een naaste medewerker om nu ook rechtstreeks overleg te voeren met de Verenigde Staten, een duidelijke proefballon, ontketende een storm van protest van zijn diverse tegenstanders. De protesten waren zo fel dat de president zich gisteren gedwongen voelde te zeggen dat Iran absoluut geen relaties met de VS wil, ja de breuk heeft verwelkomd.

In een artikel in de krant Ettelaat reageerde de Iraanse vice-president voor parlementaire zaken, Ataollah Mohajerani, op 26 april op een mededeling van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, dat Washington bereid was tot direct overleg met Iran. Na ampele afweging was Mohajerani tot de conclusie gekomen dat overleg 'niet neerkomt op aanvaarding van overheersing'.

Bovendien was Iran, onder de huidige omstandigheden, niet van plan van de buitenwereld afgesneden te blijven. De vice-president vond de gijzelaarskwestie wat dat betreft zeer instructief. Syrie had immers direct de gesprekken met de VS niet geschuwd, en daarvan ook profijt getrokken, terwijl de Iraanse rol bij de vrijlating van de gijzelaars 'in de woorden van de Amerikaanse president Washington onbekend was'. Mohajerani somde ook op wat de VS allemaal voor Iran zouden kunnen doen: zij zouden Irak kunnen dwingen tot terugtrekking uit bezet Iraans gebied, de miljarden dollars aan bevroren Iraanse tegoeden zouden eerder worden vrijgegeven en de Iraanse defensie en economie zouden met Amerikaanse hulp kunnen worden versterkt.

Wild beest

Radicaal Iran bleek niet onder de indruk. De bekende havik Ali Akbar Mohtashemi beschreef de VS als 'een wild beest dat de belangen van Iran slechts kan schaden'.

Het artikel betekende niet meer en niet minder dan 'de dood van de Islamitische Revolutie', en het Iraanse volk zou de auteur niet moeten vergeven. Zelfs Irans Opperste Leider, ayatollah Ali Khamenei, die na de dood van imam Khomeiny als twee-eenheid met Rafsanjani aan de macht is gekomen maar inmiddels steeds meer afstand neemt van zijn vroegere metgezel, verhief zijn stem om onderhandelingen met de VS af te keuren. 'Ik ben tegen en het is uitgesloten dat de regering van de Islamitische Republiek dat toch doet zonder mijn toestemming', zei hij waarschuwend. En regeringsfunctionarissen 'zijn natuurlijk tegen zoiets'. Dat was natuurlijk voor Rafsanjani bedoeld - de man immers die een verleden heeft van contacten met de VS, die in 1986 met de VS gijzelaars ruilde tegen wapens. De man ook die niet onder stoelen of banken steekt dat hij toenadering tot het Westen zoekt om de Iraanse economie uit het slop te halen.

Toen Rafsanjani vorig jaar president werd waren de verwachtingen hoog gespannen. Als gevolg van acht jaar oorlog tegen Irak maar ook van revolutionair wanbeheer door islamitische bestuurders was Iran er rampzalig aan toe. De onterfden, de armen die onder de sjah niemand waren, waren weliswaar iemand geworden, maar hadden nog steeds niets of zelfs minder. Er waren grote werkloosheid en hoge inflatie, tekorten aan eerste levensbehoeften tegelijk met een bloeiende zwarte markt en groeiende corruptie. Een groot deel van de industrie was in de oorlog verwoest - de oorlogsschade aan Iraanse kant wordt op 400 miljard dollar geschat - en wat er nog stond draaide op niet meer dan 30 procent van zijn capaciteit.

Maar de nieuwe president, een pragmatische overlevingskunstenaar die zich langs de vele valkuilen van de postrevolutionaire jaren redelijk onbeschadigd naar de top had gemanoeuvreerd, zou orde op zaken stellen. Hij zou het land uit zijn isolement halen, buitenlandse hulp losweken en Iran een glanzende toekomst bezorgen.

Niets

Vervolgens hoorde men geruime tijd niets. Of liever gezegd: er kwam een reeks opgewekte aankondigingen over liberalisering van de economie, over privatisering en investering, over verlaging van prijzen - maar er gebeurde niets.

Rafsanjani had dan ook wel zijn regering van radicale revolutionairen gezuiverd en in hun plaats in meerderheid technocraten benoemd, maar hij zat ook vast aan een net gekozen parlement dat door radicalen werd beheerst. Hij had te kampen met een bazaar die veel verdiende aan de zwarte markt en hervormingen saboteerde. En, misschien nog belangrijker, hij had de dreigende schaduw van wijlen imam Khomeiny boven zich hangen.

Khomeiny is onaantastbaar, en Rafsanjani's tegenstanders - de een gemotiveerd door de zuiverheid van de revolutionaire leer, de ander meer voor persoonlijk gewin - putten naar hartelust uit zijn uitspraken om er de president mee af te troeven. Khomeiny's doodvonnis tegen de Britse schrijver Salman Rushdie werd en wordt voortdurend gebruikt om een eventuele opening naar het Westen te dwarsbomen. Rafsanjani deed wat dat betreft in februari een unieke poging om Khomeiny af te schilderen als 'een (niet: de) expert' die 'de mensen Gods vonnis verkondigde, zoals hij dat uitlegde'.

'Het feit dat een expert zijn standpunt heeft uitgedrukt over een zaak - zou dat zoveel sensationalisme in de wereld moeten veroorzaken, zou dat tot zoveel sancties moeten leiden?' Schandelijk vond revolutionair Iran dat, en weer werd een poging de grond ingeboord om te komen tot normale relaties met het Westen. Op een heel cruciaal moment ook, want net drie weken tevoren had de president het eerste vijfjarenplan van de Islamitische Republiek door het parlement en zijn toetssteen, de Raad van Hoeders van de Grondwet, gedrukt - onder andere met behulp van mededelingen dat het plan was goedgekeurd, terwijl dat nog helemaal niet het geval was. Dat plan rust enerzijds op overoptimistische verwachtingen ten aanzien van de olieprijzen, en anderzijds op 27 miljard dollar aan buitenlands krediet.

Verzet tegen buitenlandse leningen (= buitenlandse overheersing) is altijd een teken geweest van revolutionaire zuiverheid, en de tegenstanders - Mohtashemi maar ook ayatollah Montazeri dook weer uit de vergetelheid op - hadden wel een slag maar zeker niet de oorlog verloren. Rafsanjani sprak van samenwerking met buitenlandse bedrijven 'en dit is wat sommigen beschouwen als leningen'.

Maar ayatollah Montazeri, kort voor Khomeiny's dood in ongenade geraakt wegens zijn kritiek op de revolutionaire leiding, had het over een uitverkoop van het land en zijn revolutie.

Gijzelaars

Zes dagen na het mislukken van Rafsanjani's poging onder Khomeiny's schaduw uit te komen publiceerde de Tehran Times, de Engelstalige spreekbuis van de president, een geruchtmakende oproep tot de bewaarders van de Westerse gijzelaars in Libanon om al hun gevangenen onvoorwaardelijk vrij te laten. Het was overduidelijk een nieuwe poging het verleden af te schudden. 'Het is zo langzamerhand tijd', zo schreef de krant, 'dat alle gijzelaars worden vrijgelaten, aangezien de voortzetting van hun gevangenschap wijd en zijd door vijanden wordt gebruikt als propagandawerktuig tegen ons land.' Rushdie, en in nog grotere mate de gijzelaars, vormen niet alleen voor de Iraanse facties maar ook voor het Westen een belangrijke aanwijzing van het revolutionaire karakter van het regime. Zolang er gijzelaars vastzitten in pro-Iraanse handen is het regime in Westerse ogen radicaal, dus onbetrouwbaar, dan wel onmachtig. In geen van beide gevallen komt er grootscheepse economische en/of politieke steun, zonder welke Rafsanjani's bewind uiteindelijk is gedoemd. Er zijn de laatste maanden herhaaldelijk onlusten gemeld, en de economische toestand blijft verslechteren.

Dat er tussen de eerste oproep in de Tehran Times en de eerste vrijlating van een gijzelaar twee maanden zaten zou al een teken kunnen zijn dat Rafsanjani's invloed op de ontvoerende groepjes niet al te groot is. Mohtashemi, die de ontvoerders voortdurend oproept de gijzelaars vast te houden, heeft altijd nauwere banden met hen gehad dan de president. Van vrijlatingen zonder voorwaarden is inmiddels ook geen sprake meer. Rafsanjani zelf heeft gisteren een tegenprestatie van Washington geeist. De stand in de Iraanse machtsstrijd kan verder worden afgelezen aan het aantal gijzelaars dat vrijkomt, en het tempo waarin dat gebeurt.

    • Carolien Roelants