Ik hoorde een stem die toevallig de mijne was; Dezelfverdubbeling van de dichter

'Wie een gedicht wil maken of tot zich wil laten doordringen moet niet ondertussen denken aan afspraken of aan een zieke grootmoeder', schrijft K. L. Poll. Dichter en lezer moeten evenveel aandacht voor het gedicht opbrengen, ze delen de 'passie van de poezie'. Aan de hand van gedichten van Perk, Nijhoff, Marsman en Ouwens laat hij zien waaruit deze passie bestaat.

Om gedichten tot het bewustzijn te laten doordringen is een bereidheid nodig, een besluit om een raam of een deur die anders gesloten zijn open te doen. Dat geldt ook voor de gedichten van Perk, Nijhoff, Marsman en Ouwens die hier staan afgedrukt. De bereidheid tot openstelling, het besluit om te zeggen: goed, ik stel me beschikbaar voor wat ik lezen of horen zal, kom binnen, die bereidheid heeft de lezer of luisteraar gemeen met de maker. Ook de dichter maakt ruimte in zijn hoofd. Hij richt zijn geestesoog, en soms zijn gewone ogen, op beelden die zich lenen voor namen.

Men kan het ook een stemming noemen, of een gevoel. Het gaat erom dat iemand even de klok in zichzelf stilzet, zich afvraagt: op welk pad loop ik, en dan een pas opzij doet, in onbetreden gras. Het lukt niet altijd, maar als het wel lukt, als het raam of de deur open wil en de onbekende buitenlucht stroomt binnen, dan ontstaat een concentratie van de aandacht - de passie van de poezie.

Die passie is, zoals iedere passie, eenkennig. Het gaat daarbij net als in de liefde. Wie ondertussen aan iets anders denkt, wie meent dat hij gepreoccupeerd kan liefhebben, zal merken dat de liefde verdunt en vervliegt. Wie een gedicht wil maken of tot zich wil laten doordringen moet niet ondertussen denken aan afspraken voor morgen of aan een zieke grootmoeder.

Ik zal aan de hand van vier gedichten een paar opmerkingen maken over de zelfverdubbeling van de dichter. De zelfverdubbeling heeft paradoxale gevolgen. Wie poezie iets zeer persoonlijks noemt, individuele expressie van individuele emotie bijvoorbeeld, heeft gelijk. Maar wie zegt: de dichter zoekt het onpersoonlijke, hij zingt en praat zich los van zijn knusse, voorbijgaande zelf, hij stileert zich tot iemand anders - wie dat beweert, heeft ook gelijk.

Bewust

Eerst Jacques Perk, het openingsgedicht van de sonnettenkrans Mathilde, 'Aan de sonnetten'. Het is niet de bedoeling regel voor regel na te lopen en commentaar te geven. 'Aan de sonnetten' is een gedicht over het dichten, een sonnet dat de sonnetten toespreekt. De dichter is zich van zichzelf bewust, als het ware van buitenaf. Hij kijkt naar zichzelf. Hij splitst zich in toeschouwer en acteur, hij zit in de zaal en hij staat op het toneel, tegelijkertijd. Hij maakt opmerkingen over sonnetten en dat doet hij in de vorm van een sonnet. En niet alleen dat: hij personifieert, hij doet of de sonnetten levende wezens zijn, kinderen van de rustige gedachte, wetgevers die de vrije dichter aan banden leggen. De verzelfstandiging en verpersoonlijking duurt telkens maar kort. In een volgende regel verschuift het beeld weer. Dan is het de dichter die de vrije taal naar eigen hand zet, die een beroep doet op eigen vernuft en vinding, die heerst en zich beheerst. Ik heb het gedicht niet alleen gekozen als voorbeeld van poezie over poezie, als voorbeeld van zelfsplitsing, maar ook om te laten zien dat in de taal van het gedicht de andere kunstvormen meedoen. In dit gedicht wordt dat met zoveel woorden gezegd: de sonnetten moeten klinken, helder opklinken, zoals muziek klinkt. Ze zijn gebeeldhouwd, in alle rust van de rustige gedachte in een vaste vorm gegoten. Ze worden toegesproken, alsof ze kunnen horen wat de dichter zegt, alsof er een gesprek, een dialoog gaande is tussen de sonnetten en de dichter. Dat geeft een accent van theater. Minder letterlijk is dat accent ook te vinden in de verheven toon - de dichter is zich bewust van publiek. De slotzin, 'Sonnetten, klinkt!', die de eerste zin in de herinnering terugroept, maakt het gedicht tot een afgeronde, architectonisch verantwoorde compositie.

Een gedicht, en vooral het korte lyrische gedicht, laat duidelijk zien wat in ieder kunstwerk met enige goede wil valt waar te nemen: de poging gelijktijdigheid af te dwingen, dat wil zeggen: een besef van gelijktijdigheid, waarbij het begin verbonden is met het einde en het einde met het begin. Zoals men ook kan zeggen dat de linkerbovenhoek van een schilderij tegelijk plaatsvindt met de rechterbenedenhoek. Een gedicht is een gesloten wiskundige figuur, waarin alle deelnemende punten met elkaar een zinvol verband vormen, elkaar nodig hebben om tot hun recht te komen - en niet, zoals bij ongestileerd proza, het simpele eenmansspoor van de indianenpas.

Door al die vormelementen - en dan zeg ik nog niets over metrum en rijm, over de indeling in twee coupletten van vier en twee van drie regels - door al dat artificiele wordt de prozabetekenis van de woorden gerelativeerd. De ongelovige Thomas kan weinig beginnen met de mededelingen die hem worden gedaan. Hij kan ze niet controleren. Ze lenen zich niet voor tegenspraak.

Dat is ook de bekende moeilijkheid bij het onderwijs. Een gedicht laat zich niet ongestraft parafraseren, met andere woorden navertellen. Het gaat om de woorden die de dichter met elkaar in verband brengt. Hij bedenkt een verband van betekenissen, maar ook een verband van klanken, een opeenvolging van beelden die zich slecht van hun omgeving laten scheiden - zoals de onverwachte populier bij Perk. Toch moet dat als je er iets over wilt zeggen, als je wilt verduidelijken wat er staat. De uitlegger maakt een gedicht eerder armer dan rijker.

Ziel

Nu Nijhoff, 'Het kind en ik'. Een heel andere toon, zachter, minder pathetisch, minder zelfverzekerd. De stemming van moedeloosheid is het uitgangspunt. Het heeft geen zin te vissen in gesloten water. Totdat de vissershand een opening maakt, een wak in het kroos. Dan wordt in de zwarte spiegelgrond, teer en paradijselijk, de volmaakte dubbelganger van de dichter zichtbaar - het kind dat met een griffel schrijft op een lei. Het schrijft wat de dichter zou willen schrijven. Telkens als hij het zich wil toeeigenen door begrijpend en herkennend te knikken verdwijnen de woorden in de rimpeling van het water. De waarheid en de zuiverheid verdragen het niet om gekend te worden.

Waarheid en zuiverheid - dat zijn al veel te zware baksteenwoorden. Ze passen niet bij de lichte, eerbiedige, aarzelende regels van het gedicht.

Bij Marsman, in 'Tweede voorschrift', moet de dichter ook voorzichtig zijn, maar op een andere manier. Hij moet niet aanstonds zwichten voor de drift en het gevoel die hem voor de geest komen. Hij moet afwachten tot het donker landschap van de ziel naar alle zijden openligt. Een beladen en abstract grotemensenwoord als 'ziel' zou Nijhoff, en het kind dat op de griffel schrijft, niet toelaten. Marsman is onbesuisder in zijn woordkeus, luider, plechtiger. Toch is ook in het beeld dat hij van zijn ideale zelf oproept huiver en terughoudendheid te vinden: vertel geen mens het doel van uwe reis, spreek niet heilloos en voortijdig van Londen en Parijs, van het centrum van de wereld, verdwijn spoorloos naar nieuwe streken - want ieder voorbarig bericht is een onheilsbericht en ieder spoor helpt de achtervolgers.

Weer heel anders dan bij Perk, Nijhoff en Marsman schrijft de dichter over zijn tweede zelf in 'De omstandigheden' van Kees Ouwens. Ook bij hem een donker landschap, een zwarte spiegelgrond, maar wat hij ziet, ziet hij met verbazing, schijnbaar op een afstand, minder betrokken. Wat hij hoort is een stem die toevallig de zijne is. Hij registreert plezier en hij besluit, 'vervolgens', te gaan huilen. Hij kijkt naar zijn tranen, hij luistert naar zijn snikken, en wat hem opvalt, onder deze omstandigheden, maakt hem gelukkig.

Het zijn vreemde mededelingen in gewone, laconieke woorden. De opeenvolging van korte ik-zinnen geeft iets kinderlijks, en daardoor onschuldigs, aan de beschrijving. Alles is helder, begrijpelijk, precies genoteerd. Het enige raadsel dat blijft is het raadsel van verdrietig geluk.

Ik vind dit vier goede gedichten. Anderen zouden andere kiezen. Niet iedereen is ontvankelijk voor dezelfde poezie. Daar is niets verkeerds aan, geen reden om te proberen op andermans gezag waardering te kweken. Wie gedichten leest, net als wie ze maakt, blijft aangewezen op de eigen combinatie van smaak, oordeel en gevoel. Ook in dat opzicht is de passie van de poezie eenkennig. Ik raak alleen onder de indruk, op wat voor manier ook, van wat ik mooi en bijzonder vind, niet van wat ik mooi en bijzonder moet vinden. In zoverre heeft de erkende poezie zelfs altijd een lichte weerstand te overwinnen. Algemene erkenning belemmert het vrije uitzicht. Maar na even wachten en even vergeten komt het weer terug.