Het temmen van de tijd; Bezoek aan Alberto Moravia

Volgende week brengt de Italiaanse auteur Alberto Moravia een bezoek aan Nederland. De tweeentachtigjarige schrijver publiceert nog steeds romans en novellen waaraan hij, nu al vijfenzestig jaar, dagelijks werkt.

Moravia schrijft over sterke vrouwen, over mislukte intellectuele mannen, over wat man en vrouw bindt en vooral over wat hen scheidt: 'Ze kunnen minnaars zijn, maar vrienden, dat zal nooit lukken.'. Het is elf uur in de morgen wanneer ik op de bel mag drukken naast een deur aan een van de kades van de Tiber. Alberto Moravia schrijft van acht tot elf. 'Dat doe ik al sinds oktober 1925 en daar wijk ik alleen vanaf als ik op reis ben', zal hij later zeggen. Het eerste dat ik zie als de huishoudster me binnen laat in het Romeinse appartement is een ongekend aantal wandelstokken. Als een groot mikadospel staan ze uitgewaaierd in een pot naast de voordeur. De nasleep van een ver verleden. Van 16 maart 1924 tot 25 oktober 1925 verbleef Moravia - hij was nog een jongen die Alberto Pincherle heette - in een sanatorium om een tuberculeuze infectie aan zijn been de baas te worden. Daar voedde hij zijn immense schrijftalent door alle dagen te lezen. Shakespeare, Dostojewski, Balzac, Flaubert en Dickens genoten de voorkeur van de zieke knaap die zijn genezing vierde met het schrijven van De onverschilligen (Gli indifferenti, 1929), een van de mooiste romans die de wereldliteratuur ons te bieden heeft en het debuut van een vruchtbaar schrijversschap dat voortduurt tot op de dag van vandaag. De naam 'Pincherle' was al voor dat debuut vervangen door 'Moravia'. Het eerste artikel dat de romancier in spe schreef, heette 'Er is een crisis in de romankunst'. Hij signeerde het met zijn eigen naam. Enkele dagen na verschijning van het tijdschrift werd er een brief van een professor Alberto Pincherle bezorgd die verklaarde niets met dat artikel te maken te hebben. De jonge auteur had twee namen op zijn paspoort - 'misschien wel doordat een van de dames Pincherle ooit een onwettig kind heeft gekregen van een Graaf Moravia, wie weet' - en besloot het 'Moravia' te gaan gebruiken.

De huishoudster gaat voor naar het werkvertrek van de schrijver. Van de muren staren zijn ogen me in meervoud aan: schilders en tekenaars schonken hem de portretten die ze van hem maakten en hij hing ze op. Om een echte blik te vangen moet ik omlaag kijken. Alberto Moravia (1907) is een kleine man. Iel, kalend, licht gekromd. Moravia's gezicht brengt me de woorden in gedachten die de hoofdpersoon van de roman De voyeur (1985) aan zijn spiegelbeeld wijdt, ook al scheelt die bijna vijftig jaar met zijn schepper. Deze figuur stelt eerst vast dat hij een knappe man is, maar geen mooie man: 'het verschil is belangrijk.'

Dan vervolgt hij: 'Ik heb een gezicht met mannelijke en tegelijk slappe trekken: lichte ogen met een doordringende en vaak ironische blik, maar met niet zeer energieke, overhangende wenkbrauwen; een rechte, kloeke neus, maar met geaffecteerd gewelfde neusvleugels... '

Ik weet dat Moravia korzelig reageert zodra iemand het waagt hem in een detail gelijk te stellen met een van zijn romanfiguren. Maar het moet worden vastgesteld dat hij bij het schrijven van deze regels in de spiegel heeft gekeken. Of misschien liet hij zich influisteren door de portretten aan de wanden.

De oude kwaal heeft zijn sporen nagelaten. Moravia loopt slecht. Zijn knie kan hij inmiddels niet meer buigen. Gaat hij zitten dan neemt hij, het bewuste been recht vooruit gestrekt, plaats in de lucht om zich vervolgens met een plof achterover in de kussens te kiepen. 'Je moet goed in zijn oor toeteren', werd me op het hart gedrukt door een vriendin van hem. Dat was zacht uitgedrukt. Alberto Moravia is flink doof. En je kunt toeteren wat je wilt, zodra hij tussen je woorden een hem welgevallig aanknopingspunt heeft opgevangen, gaat hij daar op door en slaat geen acht op vragen, antwoorden, reacties, interrupties, of die nu verbaal zijn of mimisch. Dat betekent niet dat hij zijn gesprekspartner links laat liggen. Zijn blik concentreert zich op het gezicht naast hem. Dwalen de ogen af, dan is dat voor inspectie van de kleding onder het gezicht. Ik realiseer me dat in al zijn verhalen en romans uitgebreid stof, kleur en plooiing van kledingstukken worden beschreven. Vaak geven ze de sfeer aan van de situatie, de toon van een gesprek: 'Zijn moeders nachtjapon herinnerde hem zo sterk aan de jurk van de vrouw in de villa: net zo doorschijnend, hetzelfde bleke, indolente, berustende vlees; alleen was de nachtjapon gekreukt, wat het beeld nog intiemer en geheimer maakte.' (Agostino, 1944). Moravia gelooft dat kleding een eigen taal spreekt en ik prijs me gelukkig dat mijn jasje nieuw is.

We zitten. 'Vraagt u maar'. U schrijft al tientallen jaren wekelijks over film. Heeft de filmkunst invloed gehad op... 'Film? Ik schrijf recensies sinds 1945 en ik ben altijd gek geweest op de cinema. Als kind ging ik twee, soms drie keer per dag naar de bioscoop. Dat was natuurlijk nog de tijd van de stomme film. Lilian Gish, Douglas Fairbanks, Mary Pickford, prachtig. Sinds The Jazz Singer (de eerste geluidsfilm - JR) is het bergafwaarts gegaan. De filmkunst had moeten blijven zwijgen. Toen sprak film nog met beelden, nu vertelt elke film alles dubbelop, met een beeld en met stemmen. Let er maar eens op: spreekt er iemand op het doek, dan beweegt hij zich nauwelijks meer. Dat hoeft ook niet, want hij voert het woord al. Maar je wordt verondersteld te blijven kijken, terwijl alleen luisteren genoeg geweest zou zijn. 'Niet dat er geen mooie geluidsfilms gemaakt zijn. Pier Paolo Pasolini was in de eerste plaats een dichter, maar hij was ook een bijzonder cineast. We scheelden vijftien jaar, maar we waren zeer bevriend. We hebben veel samen gereisd, naar Afrika, naar India. We zagen elkaar bijna iedere dag, 's avonds, in het restaurant en nooit waren we het eens. Ik ben een existentialist, hij was een realist met een merkwaardige belangstelling voor stijl.

Ik ben een autodidact. Hij was een man van verfijnde cultuur, een beetje academisch ingesteld, want hij bleef een onderwijzer. Hij was een decadent, ik niet. Zijn homoseksualiteit had grote invloed op zijn smaak. Ik ben geen homoseksueel, maar dat was van geen belang. Onze ruzies gingen altijd over ideeen. Hij geloofde dat alle kwaad in Italie samenhing met de consumptiemaatschappij en met de industrialisatie. Volgens mij gaat Italie ten onder aan het feit dat onze beschaving geworteld is in het platteland en niet los komt van de traditionele corruptie daar. De mafia, de camorra, we zitten erin verankerd. Pasolini zag in de straatschoffies aan de zelfkant van Rome apostelen van Jezus Christus. Volgens mij waren het gewoon arme jongens op motorfietsen. 'Maar ik had het over de filmkunst. Die heeft voor mij het literair realisme onmogelijk gemaakt. Balzac besteedde vijftig bladzijden aan de beschrijving van een pension. Een film geeft zo'n indruk in een paar seconden: de eetzaal, het soort mensen dat er verblijft, de lichtval... De filmkunst maakte pogingen om dat even doeltreffend te beschijven overbodig, dus daar doe ik niet aan mee. Ik geef in mijn romans de atmosfeer aan en daar laat ik het bij. 'Dankzij de filmkunst zijn mijn boeken een soort aangeklede toneelstukken, of zo u wilt, filmscenario's. Ze tellen hooguit vijf personages, het verhaal ontwikkelt zich binnen een paar dagen, er wordt veel verteld via de dialogen. Het grootste probleem van de romankunst is de tijd.

Hoe leg je die vast, daar is nog geen oplossing voor gevonden. Proust probeerde het, maar het lukte hem niet de tijd te vangen, zijn methode bleef kunstmatig. James Joyce slaagde misschien het best. In Ulysses is er sprake van een dag en daardoor bestaat de tijd niet meer. Ik probeer de tijd te temmen door aan het verleden geen betekenis te hechten. Door het heden laat ik als dat nodig is een glimp van het verleden heenschijnen, verder niet. Dus hoe het huwelijk van de moeder van Agostino was voor ze weduwe werd, of ze minnaars heeft gehad en of Agostino zich dat aantrok, ik schenk er geen aandacht aan. Het gaat om dit jongetje en deze moeder op dit moment. 'De filmkunst beperkt zich tot een heden. Verleden en toekomst bestaan niet in de bioscoop. Wil een filmer vertellen dat Julius Caesar de Rubicon is overgestoken dan presenteert hij dat als hier en nu. Caesar en de Rubicon zijn aanwezig en we kijken ernaar of het nu gebeurt. Om die reden heb ik gebroken met het imperfectum. Het verleden bestaat niet meer. Bij mij lees je niet 'hij lag 's middags te slapen', ik schrijf 'vanmiddag slaapt hij'.' ... 'Ik'! U zou schrijven 'Vanmiddag slaap ik'. 'De villa van de vrijdag, mijn nieuwste novelle, is anders in de hij-vorm geschreven. Maar meestal werk ik in de eerste persoon enkelvoud, dat is waar. Wat ik schrijf zie ik voor me. Ik identificeer me zo met de hoofdpersoon dat ik in trance raak. Daarom ben ik na het schrijven moe, niet alleen geestelijk, ook lichamelijk. Ik span mijn spieren samen met het personage. In De onverschilligen treedt nog geen ik-figuur op, daar was ik toen nog niet aan toe. Ik werkte in de objectief realistische stijl van de negentiende-eeuwse romans die ik toen gelezen had.

Tot en met Agostino heb ik dat volgehouden maar doordat ik me zo sterk een ging voelen met mijn personages viel me dat steeds zwaarder. 'Het heeft me vijftien jaar gekost eer ik de derde persoon enkelvoud durfde te laten vallen. Ik dank dat aan Dostojewski, mijn leermeester. Tot Dostojewski concentreerde de romankunst zich op de verhouding tussen de mens en de gemeenschap. De personages van Stendhal, Flaubert, Tolstoi lijden allen onder de kloof tussen hen en de wereld om hen heen. Dostojewski was de eerste die zich toelegde op de afgrond tussen de mens en zijn eigen ik. Schuld en boete gaat niet over een moord maar over berouw. In zijn spoor deed de monologue interieur zijn intrede, bij Kafka, bij James Joyce. Voor mij betekende het dat de derde persoon enkelvoud een leugen is: 'Hij opende een deur, hij stapte naar binnen en sloot de deur achter zich. Toen ging hij zitten.'

Hij ging zitten? Hoe kun je dat weten? Die deur is toch dicht? Dat inzicht maakte de ik-vorm onvermijdelijk voor mij.' Die eerste persoon enkelvoud markeert een van de wonderen in Moravia's werk. Niet alleen leefde hij zich diep in in de mannelijke psyche, hij wist zich ook vele malen volledig te vereenzelvigen met vrouwen, met als hoogtepunten De vrouw van Rome (1947) en La ciociara (1957). Maar ook in De onverschilligen gaf Moravia al blijk van een opmerkelijk oog voor emoties die vrouwen liefst rekenen tot feminiene geheimen. Toen hij die roman begon te schrijven, was hij zeventien jaar oud en kende geen andere vrouwen dan van papier, uit de boeken. 'Je hoeft toch iets niet zelf ervaren te hebben om erover te kunnen schrijven? Emily Bronte schreef een prachtige roman over de liefde en stierf zonder de liefde gekend te hebben.'

Op zijn zestiende verhuisde Moravia naar het sanatorium in de Italiaanse Alpen. Zijn vader wilde het beste voor zijn zoon en betaalde een bed in de eerste klasse. De jongen had het niet erger kunnen treffen, want een eerste-klaspatient geniet het voorrecht van een eigen kamer. Voor een volwassen man aangenaam, onverdraaglijk voor een kind dat zich niet kan verplaatsen door de gewichten aan zijn voet en knie. In Il bambino Alberto, het biografische interviewboek dat Dacia Maraini over Moravia schreef, herinnert hij zich zijn afgunst op de mannen en jongens op de grote zaal, waar werd gekaart, gezongen, gelachen. Ook vertelt hij hoe hij eens op het beslagen raam schreef 'solo col sole' - alleen met de zon. Zijn enige vertier waren de boeken. Hij bestelde ze bij de bibliotheek Vieusseux van Florence en las ze de hele dag, vanaf elf uur 's morgens. 'Ik denk dat mijn jeugd me snel rijp heeft gemaakt. De pijn heeft mijn gevoeligheid aangescherpt. Op mijn elfde had ik een soort flirt met een vriendin van mijn moeder. Die heeft me een paar keer gekust. Daar bleef het bij en ik betwijfel of die ervaring veel te maken heeft met mijn visie op vrouwen. Ik vond bij mijn ouders tussen oude papieren een schemaatje terug voor De onverschilligen. Ik was het vergeten, ik had het gemaakt had toen ik negen was. 'Ik ken nu veel vrouwen en ik ga graag met vrouwen om. Maar dat betekent minder voor mijn schrijverschap. Weinig mannen zien in dat ze Casanova alleen naar de kroon kunnen steken door een pen op te nemen. Casanova is vermaard door de manier waarop hij over vrouwen heeft geschreven, niet omdat hij er zoveel heeft gekend.

'Ik houd van vrouwelijke personages omdat ik vrouwen sterk vind. Volgens mij zijn ze polygamer dan mannen. Vrouwen zijn in staat tot meer dan een orgasme en waarom zouden ze niet steeds meer willen? Ik heb de indruk dat vrouwen meer aan seks denken dan mannen. Kijk alleen al naar de aandacht die ze aan hun lichaam besteden. Allemaal om de aandacht van mannen te trekken.' Misschien verzorgen ze hun uiterlijk om zichzelf te behagen. 'O nee, daarvoor gedragen ze zich veel te primitief. Rood op hun lippen, zwart om hun ogen, gaten in hun oren. Het zijn toch net wilden? Mannen zijn saai. Ze zijn ijdeltuiten. Ze willen vrouwen veroveren om hun eigen ego te bevredigen en daar hoort nu eenmaal seks bij. Allemaal opschepperij, verder niets. 'Ik schrijf twee soorten romans. De hoofdpersoon kan een simpel iemand zijn uit het volk, die het leven ondergaat en overleeft. Vaak is dat een vrouw. Is de hoofdpersoon een man dan is hij meestal een artistieke intellectueel. Een schrijver, een schilder, een dichter. De intellectueel is het enige positieve karakter dat de bourgeoisie ooit heeft voortgebracht. Hij is de enige die tot de bodem gaat.' Wat vindt hij daar, op die bodem? 'Niets. Maar hij moet ernaar toe. Het leven is misleiding, alles is buitenkant, achter de werkelijkheid verschuilt zich leegte. Gelooft u in God? wordt me vaak gevraagd. Nee, zeg ik dan, ik geloof niet in de verklaring van het mysterie.

Ik wil het waarom van het leven niet weten en niet geloven komt me beter uit.' Het doek van de schilder in La noia (De verveling, 1960) blijft leeg. De scenarioschrijver uit Hij en ik (1971) krijgt geen letter op papier. De jongeman uit Reis naar Rome (1988) noemt zich een dichter maar schreef nooit een gedicht. 'Het zijn mislukkelingen omdat ik anders niet met ze uit de voeten kan. Een slechte kunstenaar is dramatisch interessanter dan een goede. Over goede kunst kun je alleen maar zeggen dat het goed is. Bewijzen kun je dat niet en je personage wordt een zelfingenomen kwast. Dat de dichter uit Reis naar Rome geen poezie schrijft, komt doordat een slecht gedicht niet bestaat. Zo'n schrijfsel is namelijk geen gedicht, het is niets.' We bekijken de kaftjes van enkele Amerikaanse Moravia-pockets zoals ze begin jaren vijftig van de drukpers kwamen. De onverschilligen werd gepresenteerd door een verloederde souper-scene: een dronken meisje (een Monroe-kloon) dreigt te worden betast door een wellustige patser (een soort Clark Gable met een buikje) die nog te beroerd is om zijn sigaar opzij te leggen eer hij haar mollige schouder omvat. Het teder-wanhopige Agostino werd vertaald in een puber die door het raam van een bordeel gluurt - hij ziet een prostituee in neglige en de knie van haar klant en staat te wachten tot er iets gebeurt.

Het omslag van Il conformista (1951) werd gedomineerd door een bruid die op het punt staat haar witte japon open te ritsen. Geen van de getoonde scenes ontbreken in de bewuste boeken en toch doen de kaftjes Moravia's werk onrecht. Ze verkochten het als gewaagde lectuur en als zodanig belandde het in 1952 ook op de pauselijke index, de lijst van voor katholieken verboden boeken. 'Samen met Andre Gide, ' weet Moravia nog. 'Hij om wijsgerige redenen, ik omdat mijn romans pornografisch zouden zijn. En dat terwijl de eerste recensie van De onverschilligen door de priester Giovanni Battista Montini werd geschreven. Het was een positief, sympathiek stuk, in een katholiek tijdschrift. Montini werd in 1963 Paus Paulus VI. Nee, ik heb hem er nooit over gesproken. Om een paus te ontmoeten moet je een reden hebben en die heeft me altijd ontbroken. 'Dat mijn werk op de Index werd gezet kon me niet schelen. Italianen gaan elke zondag naar de kerk, maar er bestaat nauwelijks een heidenser volk en wie mijn boeken wilde lezen, las ze toch wel. Wat me wel heeft gestoord is dat mijn werk voor porno is uitgemaakt. Al mijn boeken kwamen zeer zorgvuldig tot stand, sommige herschreef ik wel zeven keer. Pornografie is het op vulgaire wijze aangeven van seksuele handelingen. Dat doe ik niet. Een schrijver die over seks schrijft, maakt geen porno, die schrijft over seks omdat zijn roman dat nodig heeft. Mij is verweten dat ik door seks geobsedeerd ben, maar dat is niet terecht. Wie geobsedeerd is, zal het juist verbergen. Ik zit er niet mee. Ik schrijf erover zoals dat mij uitkomt, rechtuit, op literair-esthetische grond en zonder morele overwegingen: een stoel is een stoel, een roos is een roos en seks is seks. Had De vrouw van Rome geschreven kunnen worden zonder erotiek? Nee, dus.

'Voor mij is het altijd iets onbegrijpelijks geweest, dat schrijvers een pas op de plaats maken wanneer het op seks aankomt. Madame Bovary gaat naar bed met een man. 'Elle s'abandona' schrijft Flaubert en schakelt over op een landschapsbeschrijving. Ik zie geen reden om op zo'n moment een landschap te beschrijven, tenzij dat artistiek beter zou zijn. Mijn ideeen op dat gebied hebben me veel last bezorgd. In Hij en ik (een boek dat in het Italiaans juist 'Ik en hij' - Io e lui' heet, JR) heb ik seks met politiek verweven, met kritiek op de ontaarding van de studentenbeweging van '68. De hoofdpersoon van dat boek spreekt met zijn geslachtsdeel, hij treedt ermee in discussie, laat zich erdoor leiden of verzet zich er juist tegen. De gedachte daarachter was dat ik me realiseerde hoe het Christendom ervoor heeft gezorgd dat onze relatie met onze seksualiteit is afgesneden. Je had de ziel en die was volledig goed. Seks was iets anders. Het was niet eens slecht, het kwam niet aan de orde. Een diepgravend onderwerp, vond ik. Maar het is me nooit vergeven.' Alberto Moravia hijst zich omhoog. 'Zo, nu heb ik alles gezegd wat er te vertellen is', besluit hij het gesprek. Hij wordt bij zijn zuster verwacht voor de lunch en hij is al laat.

Een aantal romans van Alberto Moravia, waaronder De onverschilligen, verscheen in Nederlandse vertaling bij de Wereldbibliotheek. Daar komt binnenkort ook de vertaling uit van De reis naar Rome, Moravia's jongste roman. Zijn nieuwe novelle De villa van de vrijdag verschijnt er zelfs eerder in het Nederlands dan in het Italiaans. In het najaar verschijnt Moravia's autobiografie. Het is nog onbekend of die in het Nederlands wordt vertaald.