Geruchten

Hebben Nederlandse romanschrijvers zich in hun boeken over het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog aan de feiten gehouden? Over de strakblauwe hemel, de nieuwslezer op de radio en de vijfde kolonne.

Als een schrijver de viering van Koninginnedag 1980 in Amsterdam als achtergrond van een roman neemt, zoals A. F. Th. van der Heijden deed in De slag om de blauwbrug, is hij verplicht zich te houden aan de historische gebeurtenissen. Het kan geen beschrijving zijn van een dagje rustig slenteren langs de kraampjes en uitgevouwen tafelkleden. Hij moet op z'n minst zeggen dat op die dag koningin Beatrix werd ingehuldigd en dat er werd gevochten tussen enerzijds politie en anderzijds krakers, demonstranten en meelopers. En dat het centrum in de middag en avond vergeven was van politie, traangas en stenengooiers. Als hij het zou hebben laten vriezen of juist oproerkraaiers ruiten van het Paleis op de Dam zou hebben laten ingooien, zou niemand het nog willen lezen omdat het verhaal ongeloofwaardig is.

Iedere schrijver van fictie is dus gehouden aan algemeen bekende historische feiten. De tiende mei 1940 bij voorbeeld kan onmogelijk als een bewolkte dag worden beschreven. Al zo vaak heb ik gelezen dat het een heldere, stralende lentedag was, dat dat ook het eerste beeld is wat in me opkomt als ik de datum zie of eraan denk: een strak-blauwe hemel en een stralende zon. Weliswaar hoor ik daar onmiddellijk dat zware geronk bij waar iedere film- en televisiekijker mee is opgegroeid, maar de eerste beeldflits is zonnig.

De Nederlandse literatuur heeft dankbaar van de oorlog gebruik gemaakt. Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans hebben in hun belangrijkste romans de Tweede Wereldoorlog als achtergrond gekozen, in respectievelijk Het stenen bruidsbed, De aanslag en De donkere kamer van Damocles, De tranen der acacia's en Herinneringen van een engelbewaarder. Maar ook veel andere auteurs namen een thema uit de bezettingstijd. De Duitse inval op 10 mei is daarbij vaak een vast punt dat in veel werken terugkeert. Bevestigen die romans en verhalen het historisch gegroeide beeld? Nederland verwachtte een oorlog. Het opperbevel van de Nederlandse strijdkrachten spreekt de eerste dagen van mei over niets anders dan over een op handen zijnde Duitse inval. Er zijn bij de grens troepenbewegingen waargenomen. Nadat op 1 september 1939 een algehele mobilisatie is afgekondigd is het volgens de roman Herinneringen van een Engelbewaarder van Willem Frederik Hermans zo dat er op 9 mei echt oorlog op komst is. Als officier van justitie S. C. H. U. Alberegt die dag de Duitse jodin Irene Moeller in Hoek van Holland op de boot naar Engeland zet, hoort hij dat alle verloven zijn ingetrokken. Anderzijds heeft Alberegt die ochtend nog op de radio gehoord dat Hitler niet van plan is Nederland binnen te vallen. Heel profetisch heeft hij echter ook tegen Irene (=vrede) gezegd: 'De oorlog zal vijf jaar duren.'

Inmiddels blijken in verband met de gespannen internationale toestand geen vliegtuigen meer naar Londen te vliegen, hoort Alberegt 'smiddags.

De spanning is te snijden. Het is net middernacht geweest als een van de hoofdpersonen in de roman De laars op de nek van Maurits Dekker zegt: 'Het is vandaag tien mei.'

En even later: 'Wil je wel gelooven, dat het warm is? Ideaal vliegweer.'

De opmerking zet een domper op de sfeer want in het Amsterdams-joodse milieu van de roman denkt op dat moment iedereen onmiddellijk aan Duitsland.

Volgens De Hunnen van Jan Cremer vallen de Duitsers op 10 mei om 3.55 uur Nederland binnen. De nieuwslezer doet er een paar uur later op sombere toon bericht van. Jan Montyn wordt, zo schrijft Dirk Ayelt Kooiman in Montyn, in Oudewater om vijf uur gewekt door vliegtuigen. Bert Voeten ook, maar dan in Breda, aldus zijn dagboek Doortocht. Aan de mooie blauwe Hollandse hemel zijn witte wolkjes te zien, resultaat van afweergeschut. 'Het begin van de oorlog is voor mij een blauwe hemel met grauwe wattenvlekken, met het doffe geplof van afweergeschut en de hijgende stem van de radiocommentator als achtergrondgeluid voor de overspannen stemmen van mijn ouders en mijn tante', schrijft G. L. Durlacher in Strepen aan de hemel. 'We zijn in oorlog -. Ze gooien parachutisten af boven het vliegveld.'

Dat zegt de oudere broer van de ik-figuur in Jan Wolkers' verhaal 'Vivisectie'. De ik-figuur kijkt door het dakraam naar buiten. 'De lucht hangt vol houtskoolkleurige vliegtuigen, vierkant en stijf als verdoolde doodkisten waarvan het deksel er kruiselings voorop gelegd is.'

Ondertussen komen de parachutisten neer.

Achtenveertig bommenwerpers boven Gouda gaan in zuidwestelijke richting, staat bij Willem Frederik Hermans. Twintig tot vijfentwintig machines boven Delft, vliegend in noordwestelijke richting, schrijft Maurits Dekker. Zowel Dekker als Hermans noemen in hun romans de hulp van Franse troepen die vanuit het zuiden assistentie verlenen, en Alberegt heeft ook gehoord dat de Engelsen bij IJmuiden meevechten.

Afgezien van de aantallen bommenwerpers, lijken de literaire auteurs waarheidsgetrouw met de feiten om te springen. Zolang we de klok niet proberen gelijk te zetten op de radioberichten, is er niets dat de lezer zal doen fronsen. Franse troepen hebben inderdaad vanuit het zuiden assistentie verleend, hoewel Winkelmann Brabant eigenlijk al bij voorbaat had prijsgegeven. De Fransen noemden de Nederlandse soldaten uit woede over het gedemoraliseerde stelletje dat ze daar aantroffen: Les sales boches du nord. De Engelsen hielpen bij IJmuiden maar hebben niet actief aan de gevechten tegen de Duitsers deelgenomen - Nederland vocht een verloren oorlog. 'Ze vallen ons aan terwijl iedereen ligt te slapen!' roept de kunstenaar Rense Alberegt in De Engelbewaarder. Zijn opmerking illustreert de tijdens en na de oorlog ingeburgerd geraakte mythe dat Nederland volkomen verrast is door de oorlog. De wilde geruchten, die bij voorbeeld Alberegt te horen krijgt, laten zien in wat voor paniek de bevolking was. Op de oorlog die niet onverwacht kwam, was desondanks niemand voorbereid. De vijand maakt volgens geruchten van de laagste middelen gebruik: Duitse parachutisten in Nederlandse soldatenuniformen en nonnenkleren vielen het leger in de rug aan! De auteur Maurits Dekker verhaalt in zijn roman uitgebreid van een vijfde kolonne, van vijanden in Nederlandse post- en politie-uniformen. Indringers verkleed als boeren, politieagenten en postboden mengen zich onder het volk om onrust en verwarring te stichten. 'Verraad sluipt door de gelederen van de verdedigers en valt hen in de rug aan, handlangers in dienst van Hitler desorganiseren de verdediging en vergemakkelijken de taak van den vijand', lezen we in Laars op de nek. Zowel in deze roman als in Montyn is te lezen dat talloze mensen uit hun huizen worden gehaald als mogelijke verraders. Onder hen veel NSB'ers maar ongetwijfeld ook veel onschuldigen. Op 10 mei 1940 was er ook al een Bijltjesdag.

De verhalen, die weliswaar door officiele bronnen zijn verspreid, berusten niet op waarheid. In het onlangs verschenen boek Mei 1940 van Amersfoort en Kamphuis (Uitg. SDU, 1990) wordt duidelijk gemaakt dat er militair gezien een 'normale' oorlog is gevoerd in mei 1940. Er was geen sprake van een verrassingsaanval, geen vijfde kolonne, geen zware schendingen van het oorlogsrecht, geen buitengewoon dappere stellingname tegen een brute vijand die desondanks zware verliezen werd toegebracht hoewel dit mij en anderen allemaal op de lagere en middelbare school is voorgehouden! Nee, het was een oorlog tussen twee ongelijke partijen die de Duitsers binnen de gestelde termijn wonnen.

Is daarmee iets ten nadele van de literaire getuigenissen van de meidagen gezegd? Nee, verhalenschrijvers hebben gebruik gemaakt van de hun ter beschikking staande vrijheden zonder aan het uitgangspunt, de historische werkelijkheid, te tornen. De wilde geruchten zijn een verhaal apart maar het is een verhaal dat op de werkelijkheid is gebaseerd. Geruchten zijn historische feiten als getuigen hun bestaan kunnen bevestigen. Ook al moet de historische lezing van mei 1940 worden bijgesteld, de literaire lezing kan onverlet blijven.