Gehandicapt

In Londen voelt de Chinese dichter Duoduo zich soms als een gehandicapte. Hij haalt herinneringen op aan een man zonder armen en benen, aan een afschuwelijke bosbrand en aan de verminkte natuur in China. 'Een mens moet je honderd jaar lang opvoeden voordat er iets goeds uit kan komen.' Al zo'n maand of negen gebruik ik elke dag het ontbijt in de kantine van mijn studentenhuis in Londen. De jonge mensen om mij heen gaan tijdens het eten opgewonden gesprekken aan, vertellen luidkeels grappen en schreeuwen wederzijdse begroetingen. Zover ik me kan herinneren heeft echter bijna nog nooit iemand iets tegen mij gezegd. Alleen toen ik hier pas kwam wonen, was er een keer een studente die tegenover me kwam zitten en iets mompelde dat klonk als 'goeiemorgen'. Nog voordat ik kon antwoorden had ze haar hoofd alweer voorover gebogen, waarna ze geen aandacht meer aan me besteedde. Iedereen kan zich wel voorstellen hoe het voelt om te midden van tweehonderd uitgelaten studenten in je eentje naar je bord te zitten staren: het is een ware kwelling... Op vrijdagavond, na het avondeten, staan in de bar en in de gangen al overal mensen te wachten tot het dansen gaat beginnen. De jongens hebben allemaal zwarte avondkleding aan en de meisjes dragen diep uitgesneden jurken. Terwijl er een bandje speelt, staan de jongelui in kleine groepjes, met een glas in hun hand te lachen, te praten en te flirten. Voortdurend 'sorry' zeggend baan ik me een weg door de menigte, rechtstreeks naar de lift en stijg op naar de dertiende verdieping, waar mijn woonruimte (of mijn kerker) zich bevindt.

In de lift doe ik mijn ogen dicht en herhaal bij mezelf onophoudelijk: 'Je bent gehandicapt!' Met het woord 'gehandicapt' kwamen onmiddellijk talloze taferelen in mijn geheugen bovendrijven.

Twintig jaar geleden zat ik een keer te eten in de restauratie van een klein stationnetje in Binnen-Mongolie. Zodra het eten op tafel kwam, werden er tientallen handen naar me uitgestoken. Ouden van dagen en kinderen gingen langs de tafels om te bedelen: 'Geef me alsjeblieft wat te eten!' De andere mensen aan mijn tafel schreeuwden meteen: 'Rot op! Maak dat je wegkomt!' Even later begonnen ze echter uit eigen beweging te gebaren en te roepen: 'Kom maar hier, dan krijg je wat te eten.' Een vage gestalte (zo te zien een dier) schoot onder de tafel. De eters gooiden stukken brood op de grond en riepen: 'Toe dan, Kruipertje, eet maar.' Toen de gestalte weer onder de tafel vandaan kwam, liepen de rillingen me over de rug: het was een man! Hij miste alle vier zijn ledematen. Zijn stompjes waren met rubberen doppen afgedekt. Met zijn schouders en buik bewoog hij zich kruipend voort. Omdat hij geen handen had, moest hij het eten met zijn mond zien op te pakken en naar binnen te werken.

Iemand zei dat hij al jaren in die restauratie kwam bedelen. Toch wist niemand hoe hij zo geworden was. Het kon ze allemaal niets schelen. Ze vonden het alleen maar leuk om hem te voederen en om hem te zien kruipen, net alsof hij een of andere zeldzame diersoort was. Hij had geen naam, ze noemden hem 'Kruipertje'. Twintig jaar geleden leefde er op een boerderij in de provincie Yunnan een gehandicapte, die bij wegwerkzaamheden in de bergen door een ongeluk met dynamiet zijn beide benen was kwijtgeraakt. De boerderij had hem onderdak geboden. Hij woonde er in een grote ruimte samen met enkele tientallen jonge intellectuelen. Dwars door de kamer waren een paar bamboestokken aangebracht. De enige manier waarop hij zich kon bewegen was door zich, met een kussentje onder zijn achterwerk, langs die stokken voort te trekken. Deze jongeman deed, sinds hij gehandicapt was geraakt, niets anders meer dan eten, drinken en slapen. Hij praatte vrijwel nooit. Niemand was ook geinteresseerd in wat hij dacht. Net als in een theater had men alleen maar aandacht voor zijn dagelijkse 'voorstelling'. Zo kon het bij voorbeeld voorkomen dat hij, terwijl hij wezenloos voor zich uit zat te * ren plotseling zijn broek openmaakte en zonder acht te slaan op zijn omgeving zijn geslachtsorgaan te voorschijn haalde, en begon te masturberen. Als hij daarmee klaar was knoopte hij onder hoongelach zijn broek weer dicht en trok zich langs de stokken terug in een hoekje... Nu ik er weer aan denk, vind ik het moeilijk te beoordelen wie er daar nou het meest gehandicapt was: hij of die toeschouwers.

Ingewanden

In 1987 vond de grootste bosbrand uit de Chinese geschiedenis plaats in de wouden op de Daxing'an heuvels. Een groot deel van het Chinese kaphout werd daar door het vuur verwoest. (Misschien was het wel het laatste restje natuurlijke hulpbronnen dat onze voorouders ons nog hadden nagelaten). Er vielen ook slachtoffers. Een journalist die ter plekke een reportage was gaan maken, beschreef mij de situatie als volgt: 'In het centrum van de brand was de temperatuur 5000C. Het vuur verplaatste zich met een snelheid van vijftig kilometer per uur en een paar dorpen werden volledig in de as gelegd. Maar weet je wat het gekke was? De mensen die waren omgekomen waren nooit helemaal verbrand. Dat wil zeggen: alles was verbrand, behalve hun ingewanden. Daar zat kennelijk altijd nog wat vocht in. Dus kon je overal stapels ingewanden zien liggen. Groen waren ze... ' Hij werd hoe langer hoe enthousiaster: 'Een oud vrouwtje, dat het vuur had zien aankomen en niet meer kon vluchten, was in een grote waterton op haar binnenplaats gesprongen. Moet je raden wat er van overbleef: een ton met kokend water, waarin wat haren ronddreven. De rest was helemaal gaar gekookt. Ha ha, een lekker stoofpotje!' Een oud Chinees spreekwoord luidt: 'een boom is na tien jaar goed; een mens na honderd jaar.'Dit betekent het volgende: als je een boom plant, moet je hem tien jaar lang verzorgen voordat hij goed hout oplevert, maar een mens moet je honderd jaar lang opvoeden, voordat er iets goeds uit kan komen.

Een Nederlandse kennis van me heeft een kat. Als die is weggelopen, wordt hij altijd vrijwel meteen weer door iemand teruggebracht. Het beest heeft namelijk een plaatje met het adres van zijn baas om zijn nek, zodat iedereen die hem ziet loslopen meteen de eigenaar kan inlichten. Enigszins vertederd vertelde ik hierover aan een Chinees meisje dat al jaren in het buitenland is. Toen ik uitgepraat was, keek ze me eerst heel lang aan en vervolgens vroeg ze: 'Wat is daar nou voor vertederends aan? Wat moet je nou met zo'n kat?' 'Oke, dan heb ik er nog eentje voor je, ' zei ik. 'Ik ken een Chinese studente in Amerika die, wanneer ze naar een koud buffet gaat, altijd haar hele bord vollaadt met alle soorten eten die ze maar te pakken kan krijgen. Vervolgens laat ze dat dan bijna allemaal onaangeroerd. Ze is namelijk helemaal geen grote eter, ze eet nog minder dan een kat. Nu is ze al een jaar in Amerika en nog steeds gaat ze regelmatig zo te keer. Het is pure verspilling, maar ze kan het maar niet afleren... '

'Waarom zou je dat moeten afleren,' zei het meisje, 'het zou toch zonde zijn om het niet te doen?' Al pratend trapte ze een wesp dood. 'Waarom doe je dat? Hij heeft je toch niks gedaan?,' zei ik.

Ze schonk me een laatdunkende blik. 'Je vond het zeker zonde om het niet te doen?,' zei ik.

Tranen

Op 5 juni 1989 demonstreerden in Londen zo'n zevenduizend mensen tegen het bloedbad. Bijna alle Chinezen in Engeland gingen de straat op. Bij de dodenherdenking, honderd dagen na het bloedbad, kwamen nog maar tweehonderd mensen bijeen, onder wie zeventig a tachtig Chinezen. Op 1 januari 1990 werd door de eigenaars van een aantal Chinese winkels, die op 5 juni nog met tranen in hun ogen de communistische tirannie hadden veroordeeld, zingend en dansend het nieuwe jaar ingeluid. Het lied dat ze zongen was Nee Zonder De Partij Dan Was Er Geen Nieuw China.

Op die vierde juni 1989 belde een in Londen wonende vriend van me een andere Chinees op en vertelde hem opgewonden het afschuwelijke nieuws. De ander antwoordde: 'Waarom moeten die studenten dan ook zo nodig rotzooi trappen? Als ze niet horen willen, moeten ze maar voelen! Wat maakt het uit als er een paar duizend dood gaan? China is toch overbevolkt, hoe meer ze er neerknallen hoe beter.' Mijn vriend vroeg hem: 'Ben jij een Chinees?' Hij antwoordde: 'Natuurlijk!' Vervolgens vroeg mijn vriend: 'Ben je een mens?!' In het verleden heb ik al eens beschreven hoe gehandicapt de natuur, die vijfduizend jaar lang ons volk heeft grootgebracht, in China tegenwoordig is. Zo wordt op gigantische wijze de spot gedreven met de traditionele Chinese natuurverering en het verlangen om een met de natuur te zijn. Maar het is ook een vingerwijzing: als het afgelopen is met de natuur, is het met de mens natuurlijk ook afgelopen: maar voordat het afgelopen is met de 'echte' natuur, moet eerst de menselijke natuur verpest zijn.

Wanneer ik de populaire Chinese zanger Cui Jian het lied Niets Het Mijne hoor zingen, krijg ik tegenwoordig telkens het gevoel dat ik zit te luisteren naar de klaagzang van de laatste afstammeling van het Chinese volk... Tien jaar geleden stond ik eens onder het toeziend oog van mijn buurjongetje van vijf een kip te slachten. Eerst plukte ik de veren uit haar nek en vervolgens pakte ik mijn mes. Op dat moment begon het jongetje naast me opgewonden te springen en te gillen: 'Maak 'm af! Maak 'm af!' Ik schrok: hoe kon een kind zoveel genoegen scheppen in het slachten van een kip? Ik liet het mes neerkomen, het kippebloed gutste naar buiten en plotseling begon het jongetje heel hard te huilen... Tot op de dag van vandaag denk ik dat er in dat gehuil iets doorklonk dat je 'hoop' zou kunnen noemen.

Vertaling Michel Hockx