Weiwerd bloedt dood door industrie

De 2.000 bewoners van het Rotterdamse tuindorp Heyplaat zijn in opstand gekomen tegen de voorgenomen sloop van hun wijk. Heyplaat zou in het jaar 2005 plaats moeten maken voor havenbedrijven. Economie die dorpen opslokt is in Nederland geen nieuw verschijnsel. Aan de Eemsmond bij Delfzijl gebeurde het al eerder.

DELFZIJL, 3 mei - Waar ooit het kerkje van Oterdum stond, tegen de Eemsdijk aan, dichtbij Delfzijl, staat sinds 1976 een monument in de vorm van een hand die datzelfde kerkje in miniatuurvorm draagt. 'Ter bescherming tegen oprukkende golven en industrie', zoals een begeleidende tekst vermeldt. Maar de golven worden wel tegengehouden door de dijk, het is vooral de (chemische) industrie die haar tentakels gaandeweg verder uitstrekt.

Oterdum werd in de jaren zestig en begin zeventig afgebroken tot meerdere glorie van de Eemsmond als industriele motor die de bedrijvigheid in Groningen op gang moest brengen. Ook het buurdorp Heveskes ging ten onder, maar hier wist de kerk met middeleeuwse toren, die onder monumentenzorg valt, tegen de verdrukking in stand te houden. Een anachronisme tussen de moderne complexen van ondernemersland. Maar voor hoe lang nog? In dezelfde buurt zal, als de plannen doorgaan, de omstreden polycarbonaatfabriek van Xantar verrijzen, een gezamenlijk project van DSM en de Japanse firma Idemitsu. Of het kerkje daarvoor moet wijken is nog onduidelijk. 'We willen het in principe handhaven', zegt gemeentelijk woordvoerder H. Kastermans, 'maar de vraag is wat je ermee gaat doen. Gedacht wordt aan een bezoekerscentrum voor de gezamenlijke industrie'. Oterdum en Heveskes, vanouds behorend tot de gemeente Delfzijl, zijn van de kaart verdwenen. Weiwerd staat er nog wel op, maar ook hier geldt de vraag: hoe lang nog? Het dorp, een soort agrarische enclave tussen de chemische en metallurgische industrieen van Akzo, Aldel (Aluminium Delfzijl), Dow Benelux en het Duitse ESD, is onderhevig aan een 'uitsterfproces' dat in 1972 formeel in gang werd gezet toen het Havenschap vijf miljoen gulden uittrok voor de aankoop van particuliere panden en grondpercelen. Er zat geen haast achter, men mocht in Weiwerd blijven wonen, maar zodra iemand dood ging of verhuisde, was het schap er als te kippen bij om het leeggekomen huis te slopen.

Bar en boos

Toen ik hier begin '72 voor het eerst mijn licht opstak, telde Weiwerd nog 300 inwoners en een stuk of zeventig panden, waaronder cafe De Nieuwe Brug. Zojuist was begonnen met het heiwerk voor een fabriek van Upjohn Polymer en rond het middaguur schaarden de heiers zich rond de stamtafel om hun medegebrachte etenswaren met koffie van de zaak te nuttigen. Ze kwamen van Amsterdam en waren hoegenaamd niet in de problematiek van Weiwerd geintereseerd. Hun belangstelling gold voornamelijk de zeventienjarige dochter van de cafehouder, die de mannen bekwaam op een afstand wist te houden. Emmy heette ze en ze bleek goed ingelicht over de ingrijpende plannen, waar ze weinig mee ophad. 'Dat zo'n gezellig dorp tegen de grond moet, dat is toch bar en boos'. Achttien jaar later blijkt De Nieuwe Brug verdwenenen ook het witte kerkje is afgebroken. Er staan in totaal nog veertien huizen en zes solide Groningse boerderijen. In een daarvan woont akkerbouwer L. D. Atzema (60) met zijn vrouw (56), die niet de minste aanstalten maken om in het voetspoor van zo veel anderen te vertrekken. Ze verkochten hun hoeve destijds niet aan het schap en zijn evenmin verplicht om het alsnog te doen als ze het bedrijf zouden willen beeindigen. Van onteigening is immers geen sprake. Zo kan Weiwerd voorlopig nog agrarisch blijven.

Wel zijn de Atzema's, die koolzaad, tarwe en gerst verbouwen, treurig gestemd over de verregaande aftakeling van hun dorp. 'Vroeger had je hier een bloeiend verenigingsleven, compleet met schutterij, ijsclub en volksvermaak, maar nu zijn alleen de plattelandsvrouwen en het zangkoor over'.

Ze werken met buurtgenoten aan een boek dat de historie van Weiwerd en de al verdwenen dorpen, Oterdum en Heveskes, tot leven moet brengen, maar dat weegt niet op tegen de droefenis om wat verloren ging.

Geen spandoeken

De plaatselijke bevolking heeft destijds nogal gelaten gereageerd op de eliminatie van Weiwerd, in het besef dat de economie zich niet laat afremmen door een handvol bezwaarde dorpelingen. Er was wel enig gemor, maar die van Weiwerd voelden zich naar hun aard niet geroepen met spandoeken de straat op te trekken. 'Dat zou nu wel anders zijn', denkt mevrouw Atzema, 'en vergeet niet dat het allemaal geleidelijk gebeurde. Eerst ging de school dicht, toen het cafe, in 1984 werd de kerk gesloopt. Het Havenschap kocht op en gaf de mensen een redelijke prijs. Zo heeft men de zaak laten doodbloeden'. In 1972 was het de bedoeling heel Weiwerd van de kaart te vegen ten gunste van de industriele expansie. Nu schijnt daar een kentering in gekomen te zijn. De Atzema's spreken tenminste van een soort groenstrook op deze plek, die de Akzo- en Aldel-complexen permanent zou moeten scheiden van de Delfzijlse woonbebouwing. Gemeente-ambtenaar Kastermans (hoofd communicatie en economische zaken) kan het bevestigen: 'Sinds 1972 is wel iets iets veranderd. We kregen bijvoorbeeld de Wet Geluidhinder, die verplicht tot een groene bufferzone tussen industrie en bebouwing. Daarin kunnen de resterende boerenbedrijven van Weiwerd inderdaad gehandhaafd blijven.' Dat een dorp als Oterdum zonder erbarmen werd weggevaagd, schrijft hij toe aan de inzichten die in de jaren zestig golden: 'Toen dacht men die ruimte hard nodig te hebben, maar dat bleek achteraf niet helemaal te kloppen. Het ruimtebeslag van de betrokken industrie viel kleiner uit en bovendien verliep de industriele ontwikkeling trager dan men destijds veronderstelde. Er is ook nog zoiets als een economische recessie tussengekomen.' Bij het monument op de dijk, waar vroeger het kerkje van Oterdum stond, mijmert boer Atzema: 'Ach, 't was hier toch geen leven meer bij al die chemische fabrieken'.

Alleen de doden hebben daar geen last van. Rond het beeld zijn de graven gespaard gebleven.

    • F. G. de Ruiter