SIERADEN UIT DE VERENIGDE STATEN IN HET KRUITHUIS; Schitterend Amerikaans

De verleiding is groot om met een schouderophalen en een meewarig lachje de helft van de sieraden op de tentoonstelling American Dreams, American Extremes af te doen. Je ziet immers precies wat je had verwacht: een hoop drukte en misbaar, woeste kleuren en wufte vormen. Kinderlijk en sentimenteel, kortom, zoals alles wat Amerikaans is in Europa vaak overkomt. Maar een blik op de andere helft van de tentoonstelling en - baf! de stereotypen zijn aan diggelen. Het werk dat hier ligt, is lang zo eenduidig niet als men zou kunnen denken.

Om de schok nog even uit te stellen opent de expositie met prachtig werk van Thomas Gentille: abstract van vorm, uitmuntend in vakmanschap en van een - vooruit dan maar - Europees aandoende subtiliteit. Des te harder komen de tot sieraad verwerkte verhalen van Betsy King aan, even uitmuntend in vakmanschap maar allerminst abstract. Zij beeldt letterlijk American dreams uit met een 'bolo tie' waarop een foto van een casino in Atlantic City en aan de twee koorden rode plastic dobbelstenen - of met een broche waarop Roy Rogers in een gestileerd hoefijzer op een ondergrond van een kaart van Texas, inclusief een in koper nagebootst houten hek.

Zo gaat het steeds, van het ene uiterste in het andere. De broches als borstplaten en armbanden als schilden in rood, zwart en wit kunststof van de Tsjech Pavel Opocensky doen bijna constructivistisch aan. Maar bij de volgende vitrine beneemt het postmoderne geschreeuw van Rhonda Zwillinger je de adem. Haar bh met groene, blauwe, turkooizen en oranje 'schubben' lijkt voor een zeemeermin bestemd. Even overdadig, maar net even complexer zijn de uit oude bijouterie samengestelde constellaties van Judy Onofrio. Hoewel jong en brutaal dragen ze nog altijd hun eigen verhalen en geschiedenissen bij zich. Vandaar, vermoed ik, dat sommige in een tabernakel zijn ondergebracht, als een hoofse knik naar haar bronnen in de cowboy-romantiek, de macho-rock 'n roll, de hippie-tijd. Bijzonder intrigerend is het werk van Rebecca Batal (1967), van wie de twintig objecten een verbijsterende diversiteit vertonen. De ene keer werkt ze met zware massa's en krachtige herhalingen, zoals in de halsketting van sleutels en lopers, dan weer knoopt ze kleine gouden plaatjes aan lieflijke, kleurige zijden draadjes. Objecten uit het poppenhuis krijgen een onheilspellende lading, bij voorbeeld de negen mini-strijkboutjes die aan een rubberen ring zijn geregen. In een huls aan een halsketting verbergt ze een rode pump, eveneens van een pop. Het doet denken aan een armband van Otto Kunzli, die een gouden kogel in een buis van zwart rubber verstopte. 'Kleine thrillers in goud, diamant, zilver, glas, lood en plastic, ' aldus de catalogus.

Het enige werk dat (zelfs tussen deze extremen) uit de toon valt, is dat van twee wat oudere mannen, Stanley Lechtzin (1936) en J. Fred Woell (1934). Lechtzin kneedt, boetseert en drapeert goud tot puur decoratieve, met parels getooide vormen. Woells broches van een goedkoop glinsterende tinlegering lijken voorbestemd voor het mouwloze spijkervest van een Hell's Angel; een doodskop zit er nog net niet bij.

Helaas zijn het juist deze twee van de veertien exposanten die in Amerika de grootste bekendheid genieten. Batal is net boven de twintig en heeft nog niets willen verkopen; Bruce Metcalf is - mede doordat hij een galerie heeft in Oostenrijk - beter bekend in Europa dan in Amerika. Judy Onofrio en Pavel Opocensky zijn vooral bekend als beeldhouwers; Opocensky werkt met metershoge blokken graniet die hij op dezelfde geduldige, subtiele manier laag voor laag verwerkt als het kunststof van zijn sieraden. Overigens is het een gemis dat de tentoonstelling niets zegt over materiaalgebruik. Opocensky's sieraden bijvoorbeeld lijken van porselein, maar ze zijn van kunststof. Het was ook wel interessant geweest om een idee te krijgen van de prijzen die voor deze sieraden in Amerika worden gevraagd.

Ongeveer de helft van de stukken is van particulieren, die ze veelal in opdracht hebben laten maken. Betsy Kings 'Atlantic City'-bolo bij voorbeeld is voor de echtgenote van een casino-magnaat gemaakt. Dit versterkt het figuratieve dat Amerikaanse sieraden toch al kenmerkt. Het is niet voor niets dat veel van deze sieraden driedimensionale miniatuurtjes zijn. De broches van het duo Kim Overstreet en Robin Kranitzky bij voorbeeld zijn kleine theaters waarin hele verhalen, geheimzinnig en vaak zelfs eng, worden geensceneerd.

Hierin is een onverholen lyriek aanwezig die eigenlijk sinds de oorlog uit de Europese sieradencultuur verdwenen is. Zoiets als de 'eerlijkheid' van materialen, een vraagstuk dat Berlage al bezig hield, is eenvoudigweg geen issue. Voor zover je van een Amerikaanse traditie kunt spreken is het veel meer die van costume jewelry. Men voelt zich niet gedwongen een standpunt in te nemen of een ontwerp met een verhaal te kunnen rechtvaardigen. Van het morele, soms zelfs moralistische aspect van het ontwerpen dat Nederland lange tijd in een wurggreep heeft gehouden, hebben Amerikanen geen last. Daar staat tegenover dat ze, veel meer dan Europeanen, gefascineerd zijn door de letterlijke symbolen van hun eigen cultuur. De vocabulaire van die mythologie is tamelijk beperkt, iedereen kan dat lijstje wel verzinnen: cowboys, beauty queens in Florida, wolkenkrabbers, het Vrijheidsbeeld, King Kong. Maar ook als de beeldspraak simplistisch is en de vormen onbeschaamd, het gebruik ervan is genuanceerd, intelligent - en slechts af en toe kinderlijk en sentimenteel.

American Dreams, American Extremes. Den Bosch, Het Kruithuis, Citadellaan 7. TDi. t/m za. 11-17u., zo. 13-17u. T/m 18 juni. Catalogus fl.25.

    • Tracy Metz