Heerma combineert ideeen CDA en PvdA overvolkshuisvesting

DEN HAAG, 3 mei - Nee, van een concessie aan de coalitiepartner wil de staatssecretaris van volkshuisvesting niet spreken. Dat politieke oordeel moeten anderen maar geven, vindt de CDA'er Heerma. Maar dat er iets is veranderd sinds in september 1988 het toenmalige CDA/VVD-kabinet de contouren presenteerde van het volkshuisvestingsbeleid voor de jaren negentig, zal hij niet ontkennen.

De staatssecretaris is dezelfde gebleven, maar hij heeft nu te maken met een andere bondgenoot, de PvdA, die op het terrein van de volkshuisvesting duidelijk andere opvattingen heeft dan de VVD. Het was voor de CDA-politicus de overgang van een partner die vindt dat er in de volkshuisvesting nog veel te veel subsidies omgaan naar een partij die de belangenbehartiging van de laagstbetaalden in de samenleving graag mag onderstrepen.

Zoals een CDA'er betaamt zocht Heerma naar het juiste midden, zonder te veel op te geven van de eigen opvattingen.

Zo was daar de situatie dat Heerma wel iets zag in tijdelijke huurcontracten als mogelijkheid om huurders die gelet op hun inkomen te goedkoop wonen na een aantal jaren tot verhuizing aan te zetten. De PvdA voelde niets voor zo'n verhuisdwang. Die partij is al jaren voorstander van een of andere vorm van woonlastenheffing: wie gelet op het inkomen een relatief lage huur heeft, mag wel in dezelfde woning blijven maar moet daar meer voor betalen. Heerma zag echter niets in algemeen werkende systemen van huurbelasting.

Beide opvattingen zijn nu gecombineerd, aangepast en tot mogelijk doorstromingsinstrument voor later bevorderd. Maar wie Heerma vraagt of hij denkt dat het ooit tot invoering daarvan zal komen, krijgt ronduit als antwoord: nee.

Discussies over doorstroming in de volkshuisvesting worden nu al zo'n dertig jaar met veel energie gevoerd. Ze leiden gewoonlijk tot definitietwisten en rechtvaardigheidsrituelen. Achtereenvolgende ministers of staatssecretarissen kwamen op hun beurt steeds wel met een plan dat gewoonlijk de eindstreep niet haalde. In Heerma's voorstellen wordt de hoop gevestigd op de werking van de woningmarkt, die door landelijke, provinciale en plaatselijke overheden dan wel met enige kracht moet worden gestuurd.

Confrontatie

Heerma gaat de confrontatie met de grote steden aan. Met veelal sociaal-democratische wethouders van volkshuisvesting is voor hen de boodschap dat zij vooral voor de wat betere inkomens moeten gaan bouwen, voorzover ze dat al niet doen. Met een recent onderzoek ('Regionale profielen van de woonruimteverdeling') van zijn departement in de koffer, kan Heerma aantonen dat het in Nederland in het algemeen en in de grote steden in het bijzonder niet zozeer ontbreekt aan 'goedkope' woningen, maar dat de verkeerde mensen in die goedkope woningen zijn gehuisvest. Niet of vrijwel niet gesubsidieerde nieuwbouw voor die wat beter verdienende inkomensklasse is het devies. Dan komt de doorstroming op gang, luidt de veronderstelling.

Weinig keus

Veel keuze lijken de steden niet te hebben, want het is de staatssecretaris die in overleg met de Tweede Kamer bepaalt hoeveel gesubsidieerde woningen per jaar in Nederland worden gebouwd, hoeveel daarvan in de categorie 'goedkope huurwoningen' zullen vallen en in welke gemeenten of regio's ze komen te staan. En ze zullen het minst daar komen waar in elk geval op papier al voldoende goedkope woningen beschikbaar zijn. De steden dus.

De komende jaren zullen uitwijzen of met wat wordt omschreven als 'strategische nieuwbouw' en een scherp toewijzingsbeleid de 'scheefheid' in de volkshuisvesting afdoende wordt bestreden. Naarmate het volkshuisvestingsbeleid meer wordt gedecentraliseerd en dus meer in handen komt van gemeenten en woningbouwverenigingen, zal Heerma voor het welslagen van zijn beleid meer van hen afhankelijk worden. De praktijk tot nu toe stemt hem niet pessimistisch. Sinds vorig jaar juli geldt een bestuursakkoord met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarin is de afspraak - en dus niet de verplichting - opgenomen dat in principe geen woningen worden toegewezen aan woningzoekenden als dat vervolgens tot een hogere individuele huursubsidie dan 250 gulden per maand leidt. Een belang dus voor de schatkist dat door gemeenten moet worden bewaakt. 'De voorzichtige conclusie luidt dat gemeenten hieraan meewerken', schreef Heerma gisteren in een brief aan de Tweede Kamer. Maar zonodig wordt de afspraak in het bestuursakkoord omgezet in een wettelijke regeling.

Heerma houdt van stokken achter de deur. Van woningbouwverenigingen wordt verwacht dat zij bij de verhuur van hun woningen op de inkomens van de kandidaten letten en dat zij de woningen 'mede verhuren aan degenen die moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende woonruimte' (citaat uit het 'Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting'). Heerma zegt in zijn brief uit te gaan van vrijwillige medewerking van woningbouwverenigingen, maar dat er natuurlijk altijd regels over huurgrenzen en inkomens kunnen worden verordonneerd.

En zo zweeft ook het systeem van tijdelijke huurcontracten, gekoppeld aan hogere huren voor degenen die preferen in hun 'goedkope' woning te blijven, boven de markt. Als een 'Zwaard van Damocles', zo ervaren de woningbouwcorporaties dat zelf, zei directeur D. Hamersma van de overkoepelende Nationale Woningraad gisteren in een reactie.

Mocht het ooit tot invoering van de tijdelijke contracten en vergunningen komen, dan zal dat zijn op een manier waarmee gemeenten en sociale verhuurders kunnen worden gecommitteerd. Dat bleek gisteren uit de woorden van Heerma en zijn ambtenaren. Met andere woorden: het moet ook voor de gemeentebesturen en corporaties meer dan een algemeen belang zijn dat de doorstroming wordt bevorderd. De besparingen die doorstroming de overheid oplevert, moeten, zo is de opvatting op het departement, op zijn minst gedeeltelijk aan de volkshuisvesting ten goede komen.